Een extensieve varkenshouderij die in een oud bestemmingsplan hetzelfde wordt behandeld als een intensieve megastal. Een boer die wil werken met agro-ecologische vruchtwisseling, maar vastloopt op regels rond permanent grasland. Een initiatief voor strokenteelt, een voedselbos, een CSA-boerderij of een landwinkel die bestuurlijk enthousiast wordt ontvangen, maar juridisch net nergens goed past.
Omgevingwet kan hefboom zijn voor nieuw voedselsysteem
Landbouwtransitie vraagt niet alleen iets van boeren. Zij vraagt iets van gemeenten.
Wie in het landelijk gebied werkt, kent dit soort voorbeelden. Ze zijn geen incidenten. Ze laten zien dat onze ruimtelijke regels niet neutraal zijn. Ze dragen een oud landbouwbeeld met zich mee: functies scheiden, risico’s beheersen, afwijkingen beperken, en landbouw vooral beoordelen aan de hand van categorieën die ooit logisch leken. Maar dat systeembeeld past steeds minder bij waar we naar toe willen om de gestapelde opgaven van economie, sociaal welzijn, biodiversiteitsverlies, water kwaliteit- en kwantiteit, recreatiedruk en voedselzekerheid het hoofd te kunnen bieden.
De landbouwtransitie vraagt niet alleen iets van boeren. Zij vraagt juist iets van gemeenten.
Ze laten zien dat onze ruimtelijke regels niet neutraal zijn.
Amanda Krijgsman
Dat is precies waar de Omgevingswet spannend wordt. Niet omdat zij alle problemen oplost. Niet omdat maatwerk vanzelf ontstaat zodra een wet integraal is bedoeld. Maar omdat de wet gemeenten uitnodigt om opnieuw te kijken naar de vraag: welke ontwikkeling willen wij hier mogelijk maken, welke kwaliteiten willen wij beschermen, en welke regels passen daarbij?
De belofte
Het omgevingsplan is geen technische verzamelbak van oude bestemmingsplannen. Het is een regeneratief bestuurlijk instrument gestoeld op de cyclus van participatie, evaluatie en bijsturing; om reflexief richting te geven. Gemeenten kunnen belemmeringen wegnemen, functies slimmer toedelen, voorwaarden verbinden aan grondgebruik, nieuwe verdienmodellen mogelijk maken en landbouw koppelen aan natuur, water, klimaat, gezondheid en lokale economie. Juist daar ligt de belofte.
Maar daarvoor is ander leiderschap en zijn andere vaardigheden nodig dan waarmee veel beleid tot nu toe is gemaakt.
Een rijkere vraag
De reflex is vaak risico mijdend: mag het of mag het niet? De Omgevingswet stelt een rijkere vraag: wat is hier nodig, wat past bij het bodem- en watersysteem, wie is daar al mee bezig in de gemeente, welke waarden botsen, en hoe maken we een afweging die toekomstbestendig is? Dat is geen pleidooi voor verkokerde juridische indekking. Integendeel. Het is een pleidooi voor de transformatieve kracht van wederkerige relaties, lef hebben en respect, betrokkenheid en vertrouwen tonen in de gemeenschap.
Regeneratieve landbouw maakt dat zichtbaar. Deze landbouw begint niet bij een standaard bedrijfsmodel, maar bij de interactie tussen bodem, water, biodiversiteit, gezondheid en gemeenschap. De ene ondernemer werkt met strokenteelt, de ander met voedselbossen, korte ketens, multifunctionele bedrijven, agrarische natuurontwikkeling of lokale samenwerking tussen boeren en burgers. Die diversiteit is precies de kracht. Maar zij wringt met regels die gemaakt zijn voor uniformiteit.
Daarmee wordt het omgevingsplan een hefboom voor systeemverandering. Of, als gemeenten niet oppassen, een manier om oude patronen in nieuwe taal voort te zetten.
Geen luxe
Transformatief kunnen denken, doen en organiseren is daarom geen luxe. Ze zijn een voorwaarde om de doelstelling van de Omgevingswet serieus te nemen. Het gaat om kunnen omgaan met complexiteit en onzekerheid. Om systeemdenken zonder te verdwalen in schema’s. Om perspectiefwisseling: de boer, de buur, de ecoloog, de jurist, de wethouder en de gebiedsontwikkelaar zien allemaal een ander deel van dezelfde werkelijkheid. Om het vermogen regels, routines en werkwijzen aan te passen als ze niet langer bijdragen aan het doel waarvoor ze ooit bedoeld waren.
Dat vraagt moed. Want maatwerk betekent niet dat iedereen zijn zin krijgt. Het betekent dat de gemeente haar afweging expliciet maakt. Waarom krijgt dit initiatief ruimte? Welke publieke waarden worden ermee gediend? Welke risico’s zijn acceptabel, welke niet? En hoe voorkomen we dat vernieuwers vastlopen omdat ze niet passen in de categorieën van gisteren?
De kern
Intervisie kan hierbij veel betekenen. Niet als praatgroep naast het echte werk, maar als oefenruimte voor bestuurlijk handelen in onzekerheid. Ambtenaren, bestuurders en raadsleden hebben plekken nodig waar zij dilemma’s kunnen onderzoeken voordat ze politiek zijn verhard tot standpunten. Waar zij kunnen leren van casussen uit andere gemeenten. Waar juridische mogelijkheden worden verbonden met morele en maatschappelijke vragen.
Want de kern van de Omgevingswet is niet alleen integraal beleid. De kern is een andere verhouding tussen overheid, samenleving en leefomgeving. De gemeente wordt minder loket en meer procesbegeleider. Minder poortwachter van bestaande categorieën en meer hoeder van publieke waarden. Minder sectoraal regelaar en meer verbinder van opgaven.
Zorg, erkenning, respect
Daar past ook een ander professioneel kompas bij. Voor zowel de ambtenaar, het lid van college B&W en raadsleden. Eentje van zorg, erkenning, respect, betrokkenheid, kennis, vertrouwen en open en eerlijke communicatie. Dat klinkt misschien zacht. Maar in gebiedsprocessen is het keihard nodig.
Zonder vertrouwen in de gemeenschap wordt participatie theater. Zonder respect wordt gebiedskennis decoratie. Zonder open communicatie wordt maatwerk willekeur. Zonder zorg voor bodem, water en gemeenschap wordt het omgevingsplan slechts een digitale exercitie. En zonder moed blijven we optimaliseren binnen een systeem dat onze gemeenschappelijke waarden niet meer dient.
Amanda Krijgsman is onderzoeker aan Wageningen University & Research. Ze is betrokken bij het programma ReGeNL, dat zich richt op rendabele, regeneratieve landbouw.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.