Overslaan en naar de inhoud gaan

Het onweert in de wereld van zonne- en windparken

Daardoor is het extra moeilijk om lokaal eigendom voor elkaar te krijgen.

Het Friese dorp Oppenhuizen, met rechts het gelijknamige zonnepark.
Het Friese dorp Oppenhuizen, met rechts het gelijknamige zonnepark. - ANP

Toen de inkt van het Klimaatakkoord in 2009 opdroogde, was het streven op papier gezet dat in 2030 de helft van de productie van zonne- en windenergie op land in eigendom zou zijn van de lokale omgeving. Een kleine twintig jaar later blijkt dat dit te hoog gegrepen was. Met name bij zonnevelden wordt dat streven niet gehaald. Maar bij windturbines evenmin. In 2030 zal dit niet anders zijn.

Dat blijkt uit een rapport van zelfstandig onderzoeker Anne Marieke Schwencke, in opdracht van het ministerie van Economische Zaken over het ‘waarom’ van dit mislukte streven.

Geen inhaalslag

Er is een duidelijke reden dat het zelfs nauwelijks mogelijk is een inhaalslag te maken. Schwencke, die zelf betrokken is bij twee energiecoöperaties in de omgeving van Leiden, schetst dat het onweert in de markt van zonneparken en windturbines. Zelfs grotere commerciële ontwikkelaars hebben het uiterst moeilijk een project rendabel te maken. Dan lijkt het zo goed als onmogelijk voor kleine, lokale initiatiefnemers. Dat komt onder meer door de lage, zelfs af en toe negatieve stroomprijzen. Op momenten met veel wind en zon is er een overvloed aan stroom, waardoor die niks meer oplevert en windturbines gedwongen stil worden gezet.

Bovendien zijn de nettarieven gestegen, werpt de hoge inflatie zand in de raderen, hebben gemeenten de onroerendezaakbelasting verhoogd, zijn eigenaren van zonneparken vanwege koperdiefstal meer geld kwijt aan verzekeringen en beveiliging, en moet ook toenemend geïnvesteerd worden in cyberveiligheid. ‘In het bijzonder de netkosten zijn sterk toegenomen; in 2025 was sprake van een verdubbeling ten opzichte van 2021. De plannen voor een invoedingstarief voor producenten worden gezien als een serieuze dreiging voor de duurzame energiesector.’ De ACM wil dit invoedingstarief vanaf nieuwsjaarsdag 2032 langzaam invoeren.

Als de kippen

Daar komt nog bij, schrijft Schwencke, dat toen de energieprijzen zo hoog waren na de Russische inval in Oekraïne, de rijksoverheid een extra heffing heeft gelegd op de overwinsten. ‘De overheid is er als de kippen bij als er veel verdiend wordt, maar geeft niet thuis als het moeilijk wordt, aldus een bestuurder’, schrijft Anne Marieke Schwencke. Voor haar onderzoek hield ze vraaggesprekken met ongeveer veertig mensen in de sector.

Op basis van de Monitor Financiële Participatie en de Lokale Energie Monitor kan gezegd worden dat ongeveer 20 procent van de productie van zonneparken en 44 procent van de productie van windparken in handen is van de lokale omgeving. Energiecoöperaties met burgers maken daar respectievelijk 4 en 8 procentpunt van uit. Als het gaat om wind, dan zijn boeren de belangrijkste lokale eigenaren, met een aandeel van 33 procent. Bij zonneparken is 12,5 procent in handen van lokale bedrijven, waaronder een klein deel agrariërs, maar vooral MKB-bedrijven die opwekken voor zichzelf.

Zo goed als stil

‘De ontwikkeling van nieuwe zonprojecten staat zo goed als stil’, schrijft Anne Marieke Schwencke. ‘De commerciële ontwikkelaars hebben veel projecten stopgezet of in de pauzestand gezet. Ook coöperaties stoppen met de ontwikkeling van nieuwe eigen productieprojecten of trekken zich terug uit een samenwerking met een commerciële partij en verleggen hun aandacht naar andere activiteiten zoals woningverduurzaming, ondersteuning energiebesparing in samenwerking met de gemeente.’

Het belangrijkste overheidsnieuws van de dag

Schrijf je in voor de Binnenlands Bestuur nieuwsbrief

Veel gemeenten hebben in hun beleid opgenomen dat ze lokaal eigendom van zon en wind belangrijk vinden, maar ondertussen geven gemeenten weinig ontwikkellocaties vrij. Zonneparken op landbouwgrond mogen bijna nergens meer. Ook hoge turbines zijn vaak onwelkom. ‘Zo geven veel provincies, gemeenten en bewoners de voorkeur aan relatief kleine windturbines. Deze zijn echter niet rendabel te realiseren met de huidige subsidieregeling (SDE) en bovendien niet meer verkrijgbaar in de windturbinemarkt.’

Een andere plaag

Daarnaast is er de alomtegenwoordige plaag van de netcongestie. Wachttijden voor een netaansluiting kunnen oplopen tot zelfs tien jaar, schrijft Schwencke. Dat terwijl ontwikkelaars aan de netbeheerders wel een aanbetaling moeten doen die zo hoog kan zijn als ‘enkele tonnen’. Belanghebbende partijen knappen af op het trage verloop. ‘Grondeigenaren kunnen of willen niet zo lang wachten’, schrijft ze. ‘Het zijn vaak agrariërs die met vele andere onzekerheden te maken hebben (stikstof, uitkoopregeling, dreigend faillissement).’

En waar halen lokale partijen, met name coöperaties, het geld vandaan om te investeren in zonne- of windparken? Volgens Schwencke zijn weinig waterschappen en gemeenten bereid garant te staan voor een energiecoöperatie, zodat die goedkoper zou kunnen lenen. Ook het zogenaamde Realisatiefonds leent relatief beperkte bedragen uit, tot maximaal twee miljoen euro.

Een noodfonds

Schwencke pleit onder andere voor een noodfonds om nu dreigende faillissementen te voorkomen bij met name zonneparken van coöperaties, voor ruimere exploitatiesubsidies dan de huidige SDE (Stimulering Duurzame Energieproductie) en SCE (Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking), voor overheidshulp bij de gestegen operationele kosten, voor een ban op het invoertarief dat de ACM in de planning heeft, voor het niet nog een keer afromen van overwinsten, voor het bekend maken van nieuwe ontwikkellocaties, en een grotere deelname van lokale overheden in duurzame energieprojecten. Dit laatste gebeurt nu wel in Groningen, met Zonnepark Meerstad-Noord, en in Limburg, met Energielandgoed Wells.

Meer draagvlak?

Tegelijk is het goed te herbezinnen op het belang van lokaal eigendom. Aan draagvlak draagt het niet veel bij, zo blijkt. In elk geval niet in de aanloopfase. ‘Ook coöperaties met 100 procent eigen projecten hebben vaak met lokale weerstand van direct omwonenden te maken.’ Van meer gewicht voor een vroeg draagvlak is een geslaagd participatieproces. Maar tijdens de exploitatiefase kan lokaal eigendom wel van meerwaarde zijn. ‘De lijnen zijn kort en er is direct belang; mensen komen elkaar uiteindelijk in de supermarkt of bij familiefeestjes tegen’, schrijft Schwencke op basis van haar interviews. ‘Een ontwikkelaar sprak over het na-ijleffect van lokaal eigendom met een coöperatie.’

Lees ook deze eerdere reportage van Binnenlands Bestuur‘Het zou altijd 50 of meer procent moeten zijn. Het liefst 100.’

Stakeholderparticipatie

Stakeholderparticipatie

Heb je moeite om effectief draagvlak te creëren voor lokale energieprojecten? Leer hoe je stakeholders strategisch betrekt en samenwerkt aan duurzame oplossingen.

schrijf u vandaag nog in

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Melden als ongepast

Door u gemelde berichten worden door ons verwijderd indien ze niet voldoen aan onze gebruiksvoorwaarden.

Schrijvers van gemelde berichten zien niet wie de melding heeft gedaan.

Bevestig jouw e-mailadres

We hebben de bevestigingsmail naar %email% gestuurd.

Geen bevestigingsmail ontvangen? Controleer je spam folder. Niet in de spam, klik dan hier om een account aan te maken.

Er is iets mis gegaan

Helaas konden we op dit moment geen account voor je aanmaken. Probeer het later nog eens.

Maak een gratis account aan en geniet van alle voordelen:

Heeft u al een account? Log in

Maak een gratis account aan en geniet van alle voordelen:

Heeft u al een account? Log in