Het was het doel van woningbouwminister Boekholt-O’Sullivan om nog voor de zomer een concept-convenant met onder andere gemeenten op tafel te hebben liggen, voor het versneld voor elkaar krijgen van flexwoningen voor statushouders. Dat schreef ze afgelopen maart in een Kamerbrief. Het kabinet-Jetten heeft namelijk het wetsvoorstel van het kabinet-Schoof opzij geschoven dat de voorrang voor statushouders bij de verdeling van sociale huurwoningen structureel zou schrappen. Het huidige kabinet zoekt sindsdien naar alternatieven.
De voortdurende strijd om de woning van statushouders
Mona Keijzer probeert nu als Kamerlid de wet erdoor te krijgen die ze als woonminister al wilde: geen voorrang meer voor statushouders.
Een soort convenant met VNG, IPO en Aedes is begin juli inderdaad verschenen. Maar ondertussen probeert haar voorgangster als minister, Mona Keijzer, het wetsvoorstel van het kabinet-Schoof te reanimeren door het als Tweede Kamerlid opnieuw in te dienen. Dit keer echter in de vorm van een initiatiefwetsvoorstel van haar als Kamerlid, gesteund door JA21 en Groep Markuszower.
De tweede keer
Eind juni adviseerde de Raad van State voor de tweede keer aan politiek Den Haag om haar wetsvoorstel opzij te schuiven, aangezien het wetsontwerp geen recht doet aan de nadelige uitgangspositie die statushouders hebben als ze de woningmarkt betreden: ze zitten vaak in de bijstand, de inburgeringsplicht verhindert het hen voltijds te werken, ze hebben geen wachttijd voor een sociale huurwoning kunnen opbouwen, ze hebben niet snel een sociaal netwerk, en zijn de Nederlandse taal nog niet machtig. Die situatie zou ‘in strijd’ zijn met het recht ‘op gelijke behandeling zoals (…) is vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet’.
De Raad van State hoefde slechts haar advies van september 2025 vorig jaar te herhalen, uit de tijd dat Mona Keijzer zelf de minister van Volkshuisvesting was. De opnieuw ingediende wet is gelijk aan die van vorig jaar. ‘De Afdeling advisering ziet geen aanleiding om anders te adviseren dan zij eerder deed.’
Puur
Mona Keijzer blijkt het opnieuw niet eens met de Raad van State. In hun reactie op dit herhaalde oordeel van de adviesafdeling laten Keijzer en de twee betrokken Kamerleden weten dat zij een andere interpretatie hebben van wat de Grondwet zegt over gelijke behandeling. Het gaat er volgens hen om dat voor de wet gelijke gevallen gelijk behandeld worden. ‘Dit artikel bevat geen verplichting voor de overheid om gelijke uitkomsten op de woningmarkt te garanderen.’
In hun ogen moeten statushouders hun voorrangspositie verliezen als het puur gaat om hun statushouderschap. Ze mogen net als andere inwoners wel om een andere reden voorrang krijgen, bijvoorbeeld omdat ze mantelzorger zijn.
Verbeteren
Verder gelooft Keijzer, in tegenstelling tot onder meer overheidskoepel VNG, dat de uitgangspositie van de statushouders redelijk snel kan verbeteren, dankzij meerdere overheidsingrepen. ‘Daarbij gaat het onder meer om instroombeperkende maatregelen op het terrein van asielmigratie, het tweestatusstelsel, beperkingen van nareis, uitbreiding van tijdelijke en onzelfstandige huisvesting, doorstroomlocaties, flexwoningen, stimulering van woningdelen en maatregelen gericht op snellere inburgering, taalverwerving en arbeidsparticipatie’, staat in hun reactie.
De VNG daarentegen vreest dat het wetsontwerp de gemeenten laat vastlopen met hun verplichte taakstelling voor het vestigen van statushouders. Statushouders kunnen ‘in het ergste geval’ dakloos worden. Ook zullen ze hun toevlucht zoeken bij andere urgentiecategorieën in de huisvestingsverordeningen van gemeenten, met extra administratieve drukte tot gevolg. Het verwerken van ‘kansarme’ urgentieverzoeken en bezwaar- en beroepsprocedures zal veel werk geven.
Om gemeenten tegemoet te komen meldt Keijzer nu wel dat ze een overgangsperiode van twee jaar wil toestaan.
De VVD in 2016
Het Kamerlid zet haar initiatiefwetsvoorstel dus door, maar de kans is feitelijk klein dat ze in de Tweede Kamer en Eerste Kamer een meerderheid achter zich krijgt. Dat kan in wezen alleen als de coalitie van het huidige minderheidskabinet verkruimelt: zonder steun van de VVD is het een verloren zaak.
Het beperken van de voorrang van statushouders op de woningmarkt is wel een idee dat oorspronkelijk bij de VVD vandaan komt. In 2016 diende Tweede Kamerlid Roald van der Linde, die nu bestuurder is van de Nationale Hypotheek Garantie, een motie in om statushouders te schrappen als verplichte urgentiecategorie in gemeentelijke huisvestingsverordeningen. Tot die tijd was het zo dat áls gemeenten urgentiecategorieën gebruiken, statushouders daar verplicht bij horen.
Ook toen al vond de Raad van State dat de wetswijziging van de VVD leidde tot een ongelijke behandeling van statushouders, en ook toen al waren corporatiekoepel Aedes en overheidskoepels IPO en VNG tegenstander. ‘De Tweede Kamer geeft met het afschaffen van de voorrangsstatus een verkeerd signaal af’, schreef Aedes. ‘De verplichting om een bepaald aantal vergunninghouders te huisvesten bestaat immers nog steeds voor elke gemeente.’
De wachtlijst
Alsnog werd het wetsvoorstel aangenomen en uitgevoerd door toenmalig woonminister Stef Blok. Dat had als praktische consequentie dat sinds 2017 gemeenten zelf mogen kiezen of ze statushouders een voorrangspositie geven. In die periode hadden ongeveer 160 van de 352 Nederlandse gemeenten een huisvestingsverordening met urgentiecategorieën.
De motie destijds van Roald van der Linde had dezelfde reden als het wetsvoorstel van Mona Keijzer nu: het feit dat veel mensen lange tijd op de wachtlijst van een sociale huurwoning staan en hen de pas wordt afgesneden door statushouders.
‘De VVD wil dat statushouders buiten het stelsel van sociale huisvesting worden gehouden en geen voorrang meer krijgen op andere mensen op de wachtlijst’, zei Van der Linde tijdens een Kamerdebat in oktober 2015, dat gehouden werd tegen de achtergrond van de toenmalige vluchtelingentoestroom als gevolg van onder meer de Syrische burgeroorlog. ‘14.000 mensen zitten nu in een asielzoekerscentrum en wachten op een woning. Volgens de huidige regels betekent dat 14.000 mensen die met voorrang een sociale huurwoning krijgen toegewezen. Het blijft niet bij die 14.000 mensen. Er zullen er op korte termijn vele duizenden of tienduizenden bij komen.’
Weinig verandering
Uiteindelijk heeft die wetswijziging er niet toe geleid dat veel gemeenten statushouders hun urgentiepositie ontnamen. Dat schreef onderzoeksbureau RIGO in 2018: ‘Op dit moment worden in 99 procent van de gemeenten met een urgentieregeling vergunninghouders aangemerkt als urgentiecategorie in de urgentieregeling.’ Dat ging destijds om ruim 170 gemeenten.
Destijds had alleen de gemeente Alkmaar statushouders een andere positie gegeven. Verder namen nog vier andere gemeenten dit in overweging.
De reden dat zoveel gemeenten hun huisvestingsverordening niet aanpasten, was ook toen al de dwingende taakstelling: ‘Zonder voorrang komt het halen hiervan in gevaar, zeker wanneer gemeenten afhankelijk zijn van de sociale huursector en alternatieven beperkt voorhanden zijn. Het zoeken naar alternatieven is daarnaast tijdrovend, duur, vraagt beschikbare locaties en expertise. Enkele gemeenten geven hierbij aan tijdelijke huisvesting voor deze doelgroep niet de goede oplossing te vinden omdat zij zo “geen bestaan kunnen opbouwen”.’
PVV
In 2015 probeerde ook toenmalig PVV-Kamerlid Joram van Klaveren met een initiatiefwetvoorstel een einde te maken aan zowel de voorrangstatus van statushouders als de taakstelling van gemeenten. Deze wet werd niet in stemming gebracht.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.