Steeds meer opgaven gaan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van meerdere overheden aan. Om dan tot een effectieve aanpak te komen hebben de verschillende overheden elkaar nodig. Dat levert soms sturingsvraagstukken op, schrijft Pieter Heerma, minister van BZK, aan de Tweede Kamer. ‘Ook dit kabinet zoekt naar manieren om meer regie te voeren op opgaven waar deels ook het decentrale bestuur voor aan de lat staat.’
Heerma investeert in medeoverheden
Het kabinet wil op de gezamenlijke opgaven als rijk en medeoverheden meer en beter gezamenlijk sturen, schrijft BZK-minister Pieter Heerma.
Gezamenlijk sturen
Het kabinet spreekt met provincies, waterschappen en gemeenten om dit najaar tot een samenwerkingsagenda te komen die richtinggevend is voor de interbestuurlijke samenwerking, schrijft Heerma in zijn voortgangsbrief actieagenda goed bestuur 2026. Afgelopen april hebben medeoverheden en het rijk in het Overhedenoverleg afspraken gemaakt over de contouren van deze agenda en zijn er werkafspraken gemaakt over de gezamenlijke inzet. Met de samenwerkingsagenda wordt ook ingezet op meer en beter gezamenlijk sturen als rijk en medeoverheden op de gezamenlijke opgaven, schrijft Heerma. De opvolging van adviezen van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen zal hier onderdeel van uitmaken. Een interbestuurlijk schrijfteam borgt dat de inbreng interbestuurlijk én interdepartementaal tot stand komt.
Wetgeving medeondertekenen
Heerma schrijft dat een aantal aanbevelingen van de studiegroep al is overgenomen. In het constituerend beraad is afgesproken de Code Interbestuurlijke Verhoudingen als uitgangspunt te hanteren en in de Voorjaarsnota is een passage opgenomen over (financiële) onderbouwing en dekking van voorstellen van het rijk waarin een beroep wordt gedaan op medeoverheden. Daarnaast zal de minister opvolging geven aan de aanbeveling over medeondertekening van de minister van BZK. Die medeondertekent wetgeving die medeoverheden raakt als er een afwijking is van de uitgangspunten die worden gehanteerd bij decentralisaties, zoals verplichte bovengemeentelijke samenwerking, of als er taken zijn met grote impact op gemeenten en provincies. ‘Dit kabinet zet deze beleidslijn voort.’
Toets uitvoerbaarheid
Ook wijst Heerma op het ‘Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur’ dat hij voor de zomer naar de Kamer heeft gestuurd. Dit is een afwegingskader voor het rijk, waarmee die aan het begin van het wetgevingsproces goed kan bekijken bij welk bestuurslichaam nieuwe wettelijke taken het beste passen. ‘Als vanuit het Beleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur wordt besloten dat een taak bij één van de medeoverheden past, dient standaard de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden (UDO) worden uitgevoerd.’ Sinds de inwerkingtreding van de UDO is die in toenemende mate onderdeel van het wetgevings- en/of beleidsvormingsproces, schrijft Heerma, en worden medeoverheden vaker en eerder betrokken door departementen die beleid maken dat hen raakt.
Afwegen bevoegdheden burgemeester
In het verlengde van het beleidskader is een afwegingskader voor bevoegdheden van burgemeesters in voorbereiding, maakt Heerma verder bekend. Dat afwegingskader moet helpen bij de keuze bevoegdheden eventueel toe te kennen aan burgemeesters. ‘Een goede afweging is in voorkomende gevallen onder meer van belang om het burgemeestersambt in balans te houden.’ Dit afwegingskader wordt naar verwachting in de tweede helft van 2026 aan de Kamer gezonden. Er wordt ook gewerkt aan een ‘nulmeting’ voor de UDO. Die moet de basis leggen voor een evaluatie van de UDO rond 2030. Over de uitkomsten daarvan wil Heerma de Kamer begin 2027 informeren.
Ik ben mij ervan bewust dat ikzelf, maar ook andere departementen, op verschillende manieren de trend van regionalisering stimuleer, terwijl we de consequenties hiervan nog onvoldoende hebben doordacht
Pieter Heerma (CDA), minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Disbalans sociaal domein
Verder constateert Heerma dat op een aantal taken van gemeenten in het sociaal domein een ‘disbalans’ in het bestuurlijk-financieel arrangement. Zijn ministerie is nauw betrokken bij de herijking van stelsels met een mogelijke disbalans. Zo is binnen de Hervormingsagenda Jeugd aandacht voor de scheefgroei die is ontstaan in het bestuurlijk-financieel arrangement voor de jeugdzorg. Zijn ministerie is vroegtijdig betrokken bij het wetsvoorstel om de sturingsmogelijkheden van gemeenten (en daarmee de beheersbaarheid) te verbeteren, het wetsvoorstel over de eigen bijdrage regeling en het nadenken over een beter passend bekostigingsmodel.
Cruciale rol gemeenten
Omdat door maatschappelijke en demografische ontwikkelingen de financiële houdbaarheid, kwaliteit en toegang van het sociaal domein breed onder druk staan, werken rijk en gemeenten toe naar een ‘nieuw’ sociaal domein waarin wordt ingezet op preventie, integraal werken, versterking van de lokale gemeenschap en beperking van de inzet van meer gespecialiseerde zorg, schrijft Heerma. ‘Gemeenten spelen hierbij een cruciale rol.’ Als minister kijkt hij hoe hij de positie van gemeenten kan versterken in relatie tot partijen die zich richten op de zorg en ondersteuning van kwetsbare inwoners.
Overzicht takenpakket
De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) stelde eerder al vast dat er een disbalans is tussen (medebewinds-)taken, bevoegdheden en middelen van medeoverheden, en dat verbetering van inzicht hierin gewenst is, vervolgt Heerma. Doel is om het inzicht in balans en het overzicht van het takenpakket van gemeenten en provincies te verbeteren. Vanuit een dit voorjaar gestarte verkenning volgen concrete voorstellen over hoe de balans op bestaande taken geborgd kan blijven ‘en hoe daaruit voortvloeiend een oordeel kan worden geveld over de omvang van het Gemeente- en Provinciefonds in relatie tot het takenpakket en de autonome ruimte van medeoverheden’. Binnen enkele weken zal Heerma de Kamer over deze verkenning informeren.
Reflectie op regionalisering
Het kabinet zet op verschillende manieren in op de versterking van en samenwerking met regio’s, zoals via nationale programma’s, regiodeals en de gebiedsgerichte aanpak. Maar Heerma weet dat regionale samenwerking ook beperkingen en keerzijden heeft. Daar moet meer ‘reflectie’ op komen, vindt hij, net als op de kansen ervan. Daarom werkt hij aan een rijksbrede visie op de rol van regio’s en regionale samenwerking. ‘Ik ben mij er namelijk van bewust dat ikzelf, maar ook andere departementen, op verschillende manieren de trend van regionalisering stimuleer, terwijl we de consequenties hiervan nog onvoldoende hebben doordacht.’
Democratische randvoorwaarden
Door regionalisering verandert de rol van gemeenten en provincies in het openbaar bestuur, ‘maar ook het samenspel tussen decentrale overheden en het rijk, zonder dat we hier bewuste keuzes in hebben gemaakt’. De visie moet richting geven aan de plaats van de regio in het openbaar bestuur en aan de wijze waarop regie kan worden gevoerd op regionalisering. Daarin gaat Heerma ook in op de bestuurlijke en democratische randvoorwaarden, de bestuurs- en uitvoeringskracht en schaalgrootte van gemeenten. Ook zal hij reflecteren op de rol van het rijk ten opzichte van de regio en in hoeverre deze rol herijkt dient te worden. Eind 2026 gaat de visie naar de Kamer samen met een plan van aanpak voor 2027.
Een sterke lokale democratie waarin bestuurders en volksvertegenwoordigers dichtbij de burger staan, betekent ook dat zij hun ambt vrij en zonder oneigenlijke druk moeten uitoefenen
Pieter Heerma (CDA), minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Inzicht in bestuurskracht
Daarnaast wil Heerma samen inzetten op het vergroten van de slagkracht van bestuur en vindt hij de democratische inbedding van het bestuur van belang. Hij constateert dat de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht vooral voor kleine(re) gemeenten vaak zoek is. Om daar beter zicht op te krijgen gaat hij met gemeenten en provincies overleggen over ‘mogelijkheden om het nodige gesprek hierover te ondersteunen’. Daarbij wil hij landelijk meer inzicht in de bestuurskracht van het lokale bestuur.
Draagvlak herindelingen vaststellen
Omdat meer gemeenten zich oriënteren op intensievere samenwerking of een bestuurlijke fusie en ‘maatschappelijk draagvlak’ hiervoor steeds belangrijker wordt, zal Heerma de Wet algemene regels herindeling en het Beleidskader gemeentelijke herindelingen tegen het licht houden en onder meer bij provincies, gemeenten ‘het net van geleerde lessen ophalen’. Hij wil verkennen of er betere manieren of andere vormen van raadpleging zijn voor vaststelling van maatschappelijk draagvlak bij herindelingen ‘of dat hier meer richting aan moet worden gegeven’. Ook kijkt hij naar de verschillende fases richting een herindeling in relatie tot tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen.
Geen oneigenlijke druk
Tot slot wil Heerma investeren in de positie van gemeenteraden, het rolbewustzijn van raadsleden en de professionalisering van hun ondersteuning. ‘Een sterke lokale democratie waarin bestuurders en volksvertegenwoordigers dichtbij de burger staan, betekent ook dat zij hun ambt vrij en zonder oneigenlijke druk moeten uitoefenen.’ In het najaar komt er ook een kabinetsreactie op het ARPA-advies ‘Een gewaardeerd ambt’. Hier beperkt hij zich tot de ondersteuners van de politieke ambtsdragers ‘en hoe ik hen vanuit de Actieagenda in hun belangrijke werk ondersteun’. Heerma wijst op een lopend onderzoek om meer inzicht te krijgen in de beschikbare middelen waarover griffies, rekenkamers en fractieondersteuning beschikken. Op basis van dat onderzoek bekijkt hij samen met het decentraal bestuur en de beroeps- en belangenverenigingen hoe die budgetten zich verhouden tot een goede uitoefening van de raadsondersteuning.
Centraal klachtenloket
Daarnaast zijn met financiële ondersteuning van zijn ministerie het afgelopen jaar namens de Vereniging van Rekenkamers en Vereniging van Griffiers twee taskforces actief geweest. De ene biedt ondersteuning aan rekenkamers waar vraagstukken spelen rond de relatie met de raad, griffie, college en het ambtelijk apparaat. De andere ondersteunt kleine griffies (3 fte of minder) bij het zoeken naar mogelijkheden om de volksvertegenwoordiging beter in positie te brengen. Tot slot beziet Heerma hoe hij de lokale ombudsfunctie het beste kan ondersteunen. Hij wil middelen beschikbaar stellen aan de recent opgerichte Vereniging van Lokale Ombudsmannen en Ombudscommissies in 2027 en ook onderzoek doen naar het oprichten van een centraal klachtenloket dat de ingediende klachten naar de juiste instantie doorverwijst.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.