Het stigma op mensen die in de bijstand zitten is groot. Naast dat de vooroordelen mensen onzeker maken en hen niet verder helpt, zitten de stigma’s ook verweven in de systemen. Dat blijkt uit het onderzoek van promovenda Amber Vellinga-Dings. Vandaag verdedigt ze haar proefschrift. Wat adviseert Vellinga-Dings gemeenten?
Stigma op bijstand is groot en belemmert oplossingen
‘Mensen belanden niet zomaar langdurig in de bijstand. Daar gaan complexe problemen, en vaak een opstapeling daarvan, aan vooraf.'
De aanleiding voor dit onderzoek is een tekort aan passende ondersteuning voor mensen die langdurig in de bijstand zitten. ‘Gemeenten en uitkeringsinstanties hebben vaak veel ondersteuning voor mensen die nog kort bijstand ontvangen. Bijvoorbeeld hulp bij het schrijven van een goed CV of een sollicitatietraining. Maar bij mensen die lang in de bijstand zitten ontbreken soms de tools. Dat wilde ik in kaart brengen: Wat zou deze mensen helpen?’, zegt de promovenda tegen Binnenlands Bestuur.
Andere ontdekking
Tijdens het onderzoek stuitte de promovenda op een andere ontdekking. Namelijk dat het stigma op mensen in de bijstand groot is. Dat is niet alleen nadelig voor de mensen in de bijstand zelf, maar ook voor de mensen die ze moeten helpen. ‘Dat er een stigma heerst op mensen die langdurig in de bijstand zitten is niet super onverwachts’, zegt de promovenda. ‘Wel hoe diep het zit bij de mensen zelf, hun omgeving en de instanties die ze moeten helpen. En hoe ze dat dus tegenwerkt om uit de bijstand te komen.’
Als voorbeeld noemt een van de geïnterviewden dat ze bij een raadsvergadering was. Daar vertelde een gemeenteraadslid dat bijstandsgerechtigden mensen zijn die wel erg comfortabel in die positie zitten en niet actief willen bijdragen aan de samenleving. ‘Dat heeft die mevrouw erg gekwetst’, zegt Vellinga-Dings. ‘Ze hoort het vaker terugkomen in de politiek. Je voelt je als je in de bijstand zit afhankelijk, want je bent ook afhankelijk. En je hoopt dat politici voor je opkomen.’
Gemeentemedewerkers kunnen volgens de onderzoeker stigmatiserend werken. ‘Ze zijn wantrouwend. Dat is het uitgangspunt. Er wordt soms snel gedacht dat mensen wel weer aan het werk kunnen, zonder echt naar de persoon te kijken of te luisteren naar de omstandigheden.’ Daar komen nog de stigma’s vanuit de eigen omgeving bij. ‘Vriendschappen verwateren nadat iemand in de bijstand terecht kwam of een vader zet zijn eigen zoon neer als iemand die z’n handje ophoudt.’
Hierdoor krijgen mensen in de bijstand een erg negatief zelfbeeld: Ik zal wel lui zijn, ik draag niks bij aan de samenleving. ‘Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel of neerwaartse spiraal’, zegt de promovenda.
‘Ze zijn wantrouwend. Dat is het uitgangspunt.’
Amber Vellinga-Dings - promovendus
Stigma terecht?
Een stigma of vooroordeel komt meestal niet uit de lucht vallen. Zit er ook niet wat in dat sommige mensen die langdurig in de bijstand zitten inderdaad een beetje lui zijn? ‘Ik denk dat er weinig mensen graag in de bijstand zitten’, zegt de onderzoeker. ‘Ongetwijfeld bestaan ze, maar hoeveel het er zijn, weet ik niet. Ik heb ze niet gesproken.’ Ze heeft door haar onderzoek wel inzicht gekregen in hoe zo’n situatie kan ontstaan. ‘Het is vaak een kwestie van dat er al veel is voorgevallen. Veel afwijzingen, afkeuringen, zowel sociaal als op het werk. Als je vervolgens ook niet goed geholpen wordt door instanties, kan op den duur het gevoel ontstaan: Ik vind het wel prima zo, ik heb mijn best gedaan, maar pas er niet tussen.’
Ze noemt het televisieprogramma Rutger en de uitkeringstrekkers als voorbeeld. Volgens haar zie je mensen die zo’n houding ook als schild gebruiken, als zelfbescherming. ‘Dat kan makkelijker zijn. Want bij doorvragen, ontdek je hoeveel pijn eronder zit. En dat doorvragen gebeurt niet in zo’n programma. Maar mijn onderzoek laat zien: het ligt altijd genuanceerder.’
Zelfbeeld oppoetsen
‘Wat ik heb geleerd is dat mensen niet zomaar in de bijstand belanden. Daar gaan complexe problemen, en vaak een opstapeling daarvan, aan vooraf. Het zorgt vervolgens ook nog voor financiële uitdagingen en je verliest een stukje routine.’ Volgens de promovenda kan dat weer resulteren in destructieve gedragingen, zoals sociale isolatie, problemen rondom voeding of verslaving.
‘Wat ik heb geleerd is dat mensen niet zomaar in de bijstand belanden. Daar gaan complexe problemen, en vaak een opstapeling daarvan, aan vooraf.'
Amber Vellinga-Dings - promovendus
Wat goed helpt om uit die negatieve spiraal te blijven, is leren omdenken. Van ‘Ik ben een luie, ongemotiveerde uitkeringstrekker’ naar: ‘Mijn gezondheid stelt mij op dit moment niet in staat om te werken’ of ‘Externe factoren, zoals de arbeidsmarkt of beleid, belemmeren mij weer te kunnen werken’ of ‘Ik besteed mijn tijd aan andere betekenisvolle activiteiten, zoals zorg’. In de conclusie van het onderzoek schrijft Vellinga-Dings: ‘Het inzicht dat zij geen ‘luie uitkeringstrekkers’ of ‘nietsnutten’ zijn, maar mensen die ziek zijn, zorgen, of op een andere manier bijdragen, had een positief effect op hun zelfbeeld en hun dagelijks leven.’
Wat hier goed bij helpt, is de zogenoemde GRIP&GLANS-groepscursus. ‘Deze cursus is goed toepasbaar op mensen die langdurig in de bijstand zitten. Door de cursus ervaren deelnemers meer regie (‘grip’) en een beter zelfbeeld (‘glans’).’ Het helpt voor de deelnemers om andere mensen te ontmoeten in dezelfde situatie. De effecten van deze cursus houden langer aan. Zo’n cursus beveelt de promovenda dan ook aan omdat haar onderzoek de effectiviteit bewijst.
Hoe kan het beter?
‘Binnen beleid en uitvoering zou het helpen meer oog en waardering te hebben voor onbetaald werk, zoals mantelzorg of vrijwilligerswerk. Of erkennen dat herstellen na een operatie, burn-out of depressie ook noodzakelijk is voordat iemand weer kan werken. Geef mensen het idee dat ze ertoe doen, herstel belangrijk is en er ook andere vormen van participatie zijn. Dat verbetert het zelfbeeld en zelfvertrouwen’.
De promovenda begrijpt dat er soms een bepaald beeld kan ontstaan bij uitvoerders. ‘Het is ook voor de werkcoaches en sociaal werkers persoonlijk werk. Uit onderzoek blijkt dat het vertrouwen soms geschaad wordt. Dan is het moeilijk om bij de volgende persoon er weer helemaal open in te gaan.’
Daarnaast leggen gemeenten vaak in beleidsplannen vast hoeveel inwoners uit de bijstand moeten stromen of een traject naar werk moeten volgen. Dit wordt vaak vertaald naar concrete targets. ‘Een werkcoach moet daar nu eenmaal aan voldoen. Mensen in de uitvoering zitten hierdoor in tweestrijd. Het is persoonlijk werk, maar ze moeten ook rapporteren.’
Toch adviseert ze te werken aan de aannames die ook bij overheidsinstanties en uitvoeringsinstanties heersen. ‘Investeer in opleidingen om het reflectief en stigmasensitief werken te verbeteren. Wees je ervan bewust dat er iemand tegenover je zit met een verhaal. Neem mensen mee in de plannen en besluiten.’
Wet- en regelgeving is nu nog vaak gebaseerd op sancties en verplichtingen. ‘Het uitgangspunt moet niet gebaseerd zijn op wantrouwen en mensen in het gareel houden uit de angst dat er anders misbruik gemaakt wordt van de bijstand. Neem in plaats daarvan vertrouwen als basis. Zie het als mensen met bepaalde uitdagingen waardoor ze in deze situatie zijn beland.’ Daarnaast is het nuttig om ontmoetingen te creëren tussen beleidsmakers en bijstandsgerechtigden: ‘Hopelijk verandert dat het negatieve beeld’.
‘Veel mensen die zelf in de bijstand zitten hebben óók een negatief beeld van andere bijstandsgerechtigden.'
Amber Vellinga-Dings - promovendus
Een ontmoeting kan ook waardevol zijn voor bijstandsgerechtigden zelf, concludeert Vellinga-Dings: ‘Veel mensen die zelf in de bijstand zitten hebben óók een negatief beeld van andere bijstandsgerechtigden. Door elkaar te ontmoeten, ontdekken ze dat andere mensen in de bijstand vaak heel leuk en capabel zijn, aan het werk willen, maar dat het niet lukt.’
Concluderend moet het beleid menswaardiger. Dat vergt een structurele verandering die niet zomaar te bewerkstelligen is. Het is het tot die tijd waard om toch individuele ondersteuning te bieden aan langdurig bijstandsgerechtigden.
Waar knelt het?
Toch knelt voor de onderzoeker de individuele aanpak: ‘Vanuit mijn onderzoek kwam ik tot de conclusie dat de meeste problemen structureel van aard zijn. De arbeidsmarkt is niet inclusief of sluit niet aan bij de mogelijkheden van mensen in de bijstand. Beleid is gebaseerd op wantrouwen’. Idealiter zou dát aangepakt moeten worden. ‘Niet enkel de mensen in de bijstand zijn het probleem, maar het beleid, de arbeidsmarkt en de heersende normen en waarden in de praktijk spelen hierbij een grote rol.’
Echter, dit is niet zomaar aan te pakken en door aan één knop te draaien op te lossen. ‘Je komt dus toch uit bij een individuele oplossing voor een structureel probleem. Zolang we niet slagen de arbeidsmarkt inclusiever te krijgen en het bijstandsbeleid menswaardiger, biedt de groepscursus gericht op individuen een passende vorm van ondersteuning. Structurele veranderingen hebben tijd nodig’, zegt Vellinga-Dings.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.