Het is druk in het jongerenwerk. Daardoor lukt het niet goed om tot een eenduidige aanpak van jeugdcriminaliteit te komen, zien de lectoren Stijn Sieckelinck (Hogeschool van Amsterdam) en Jan Dirk de Jong (Hogeschool Leiden). Hun pleidooi: gemeenten moeten beter kijken naar het jeugdwerkaanbod als geheel.
Essay: Preventie is een gedeelde verantwoordelijkheid
Er gebeurt veel om jeugdcriminaliteit tegen te gaan, maar het beoogde effect blijft vaak uit
Sinds enkele jaren wordt substantieel geïnvesteerd in de aanpak van jeugdcriminaliteit. In veel gemeenten is het aanbod de afgelopen jaren toegenomen. Naast reguliere voorzieningen voor algemene preventie, vooral vanuit het jongerenwerk in de sociale basis, ontstonden specialistische initiatieven en specifieke veiligheidsinterventies. Die worden bijvoorbeeld gefinancierd vanuit aanvullende bronnen, zoals het gemeentelijke jeugd-, zorg- of veiligheidsbeleid, of vanuit programma’s als het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) of Preventie met Gezag.
Beoogde effect
Daardoor zijn op veel plaatsen tal van oude, nieuwe en hernieuwde samenwerkingsstructuren binnen welzijn, zorg, veiligheid en onderwijs. Alles lijkt aanwezig. Het potentieel is daarmee groot. Er gebeurt ook veel, en wellicht steeds meer. En toch blijft het beoogde effect vaak achter. Hoe kan dat?
Teleurstelling
Wij bestuderen elk een kant van dit vraagstuk, maar zien in de kern hetzelfde: een vorm van georganiseerde teleurstelling. Er is lokaal enorm veel geïnvesteerd in een betere aanpak, waardoor de verwachtingen gestegen zijn. Maar nog te vaak blijven de gehoopte resultaten uit. Gemeenten vragen de lokale jongerenwerkorganisaties ondertussen al een tijdje om ‘meer te doen aan preventie van jeugdcriminaliteit’. Ze willen echter vooral een vermindering van overlast en dure jeugdzorg. Vervolgens wordt een nieuwe partij ingehuurd met een specifieke opdracht op jeugd en veiligheid.
Fricties
Daarmee moeten jongeren worden bereikt die ogenschijnlijk niet geholpen worden door het jongerenwerk. De inzet van die nieuwe partij zou verder moeten bijdragen aan overlastvermindering, gedragsverandering en het oppakken van moeilijkere hulpvragen bij de doelgroep. Wat er vervolgens op veel plaatsen gebeurt, laat zich goed begrijpen als een opeenstapeling van fricties. Die hangen met elkaar samen en versterken elkaar.
Niet leveren
We zien de volgende drietrapsraket. Ten eerste het idee dat het jeugdwerk in gebreke blijft. Jongerenwerkers zijn nabij, werken methodisch in de leefwereld van jongeren en investeren in relaties, groepscontact en aanwezigheid op straat en online. Een deel van hen werkt bovendien al met jongeren die in beeld komen bij jeugd en veiligheid. Inmiddels wordt het jongerenwerk aangesproken op opgaven die verder reiken dan brede pedagogische ondersteuning en klassieke of algemene preventie. Er ontstaat vervolgens spanning wanneer overlast aanhoudt, verhardt of zich verplaatst via andere netwerken en groepsverbanden dan waar het jongerenwerk zicht op heeft. Dit roept al snel het beeld op dat ‘het jongerenwerk niet levert’ op het gebied van preventie.
Nieuwkomers
Die situatie leidt in veel gemeenten tot een voorspelbare beweging, en dat is de tweede frictie: er worden nieuwe partijen, aanvullende trajecten of specialistische initiatieven aan het veld toegevoegd. De nieuwkomers profileren zich met specialistische kennis, een steviger veiligheidsrepertoire, lokale geloofwaardigheid of een grotere bereidheid om te begrenzen en informatie te delen. Op zichzelf is dat begrijpelijk. Gemeenten zoeken immers naar manieren om gaten te dichten, risico’s te verkleinen en zwaardere doelgroepen beter te bereiken. Maar in de praktijk leidt die uitbreiding lang niet altijd tot meer samenhang.
Verschuiving en overlap
In die drukte bewegen partijen steeds vaker in elkaars richting. En dat is de derde frictie. Nieuwe partijen presenteren zich als specialist op het gebied van justitie en veiligheid, maar organiseren in de praktijk soms ook sport, groepsactiviteiten of een open inloop om toegang tot jongeren te krijgen en relaties op te bouwen. Dat is verklaarbaar, want specialistisch werk heeft eveneens ontmoeting, vertrouwen en presentie nodig. Tegelijk schuift het reguliere jongerenwerk, onder invloed van verwachtingen en omstandigheden, geregeld op richting signalering, veiligheidsafstemming en doelgroepen die eigenlijk een specialistischer benadering vragen. Zo ontstaan in de praktijk vergelijkbare werkvormen en deels overlappende doelgroepen. Het gevolg: onduidelijkheid over wie wanneer aan zet is.
Voetbalteam
Er is lokaal al veel aanwezig: reguliere partijen, nieuwe specialistische initiatieven, professionals met kennis, ervaring, relaties en gezag. In potentie vormt dit een sterk geheel. En toch loopt het in de praktijk vaak vast. Niet omdat er te weinig gebeurt, maar omdat de inzet onvoldoende op elkaar aansluit. Inspanningen versterken elkaar niet vanzelf; soms werken ze elkaar zelfs tegen. Een gemeenteambtenaar vergeleek het eens met een voetbalteam. Op het veld staan goede, soms zelfs uitstekende spelers. Iedereen kent de spelregels. Maar het spel komt niet tot stand. Spelers lopen elkaar voor de voeten. Posities zijn onduidelijk. En zonder coaching en onderlinge afstemming blijft het bij losse acties in plaats van samenspel.
Een aantal jongerenwerkers en andere uitvoerders heeft vaak wel de informatie én de relatie.
Stijn Sieckelinck is lector Youth Spot aan de Hogeschool van Amsterdam
Jan Dirk de Jong is lector Aanpak Jeugdcriminaliteit aan de Hogeschool Leiden
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.