Het minderheidskabinet wil dat 80 gemeenten aan de slag gaan met startbanen voor statushouders, zodra die in de gemeente komen wonen. Nu willen en kunnen veel nieuwkomers wel werken, maar werkt slechts een kwart van de statushouders tijdens de inburgering. Een groot deel (57 procent) is van een bijstandsuitkering afhankelijk.
80 gemeenten zorgen voor startbanen voor statushouders
Het kabinet wil dat meer gemeenten werk maken van startbanen voor statushouders, zodat die de krapte op de arbeidsmarkt kunnen verminderen.
Krapte verminderen
Dat schrijft Thierry Aartsen (VVD), minister van Werk en Participatie, aan de Tweede Kamer in de aanbiedingsbrief van het rapport ‘Een vroege start op de Nederlandse arbeidsmarkt’. Als gemeenten direct bezig gaan met startbanen voor statushouders, dan worden betaald werk en inburgering gecombineerd. ‘Statushouders doen op die manier sneller mee in onze maatschappij, leren de taal op de werkvloer en helpen bovendien de krapte op de arbeidsmarkt te verminderen.’
Gemeenten met ervaring
Sinds 2023 is in een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam, Amsterdam en Eindhoven, al ervaring opgedaan met startbanen. Het rapport gaat over de ervaringen, resultaten en werking van deze zeven proeven met startbanen voor statushouders en brengt de opzet, het verloop, de resultaten en de ervaringen in beeld. Uit de evaluatie bleek dat ongeveer 44 procent van de deelnemers op een startbaan is geplaatst, en een klein deel (10 procent) uitviel. Twee derde van de deelnemers was man en het overgrote deel was tussen de 25 en 45 jaar. Bij de instroom had 54 procent taalniveau A0, oftewel geen functionele beheersing van het Nederlands.
Beperkt beschikbaar
De proef maakte duidelijk dat het vinden van geschikte werkgevers nog een knelpunt is bij het aanbieden van deze banen. Een van de redenen daarvoor is dat statushouders vanwege inburgeringslessen vaak maar beperkt beschikbaar zijn voor werk. Daarnaast spelen de extra begeleiding die nodig is door taalachterstand, culturele verschillen, de zorg voor het gezin en het tekort aan kinderopvang en naschoolse opvang een rol. Ook is er voor veel werk, zeker in de tekortsectoren, een opleiding nodig.
Sterk gemotiveerd
Startbanen zijn vooral in de sectoren logistiek, horeca en catering, en bouw en techniek. Het gaat vaak om uitvoerend werk op mbo-niveau en contracten zijn meestal tijdelijk (7 tot 12 maanden). Het merendeel werkt in deeltijd, wat past bij de combinatie met inburgeringsverplichtingen. Bij 43 procent van de startbanen is loonkostensubsidie ingezet. Deelnemers zijn vrijwel zonder uitzondering sterk gemotiveerd om te werken, laat het onderzoek zien. Zij ervaren werk als een effectievere taalleeromgeving dan alleen taallessen. Werkgevers zijn positief over ervaringen met statushouders, maar vinden dat het werken met deze doelgroep een extra investering vraagt in begeleiding, communicatie en geduld.
Geen financiële prikkel
Motivatie, zingeving, sociale contacten en het sneller leren van de taal noemen de deelnemers als belangrijkste redenen om te werken, terwijl extra inkomen minder vaak wordt genoemd. De reden daarvoor is dat veel statushouders door verplichtingen die bij de inburgering horen aanvankelijk alleen parttime kunnen werken. De financiële prikkel om te werken is dan niet altijd aanwezig. Als statushouders langer in Nederland zijn, breiden ze de deeltijdbaan vaker uit.
Zet waar mogelijk consulenten in die de taal spreken of de culturele achtergrond delen van statushouders
Les voor gemeenten uit rapport 'Een vroege start op de Nederlandse arbeidsmarkt'
Vaste aanspreekpunten
In de proeven is aandacht besteed aan knelpunten en zijn enkele werkzame aanpakken gerealiseerd. Statushouders werden bijvoorbeeld met extra begeleiding aan een baan geholpen. De meesten kregen eerst een korte training gericht op het oefenen met taal en werknemersvaardigheden. Ook werd met coaches en vaste aanspreekpunten voor werkgevers en statushouders gewerkt.
Lessen voor gemeenten
Daarnaast formuleert het onderzoek lessen voor gemeenten. Zo zouden gemeenten vooraf onderbouwde keuzes over beleid en randvoorwaarden moeten maken. Zorg bijvoorbeeld dat gemeentelijk beleid en uitvoering ondersteunend zijn voor duale trajecten waarin werk en inburgering worden gecombineerd. ‘Bepaal wat prioriteit krijgt wanneer werk en taal botsen.’ Andere lessen zijn: regel vooraf flexibiliteit bij de taalschool, investeer structureel in samenwerking tussen participatie- en taalpartijen en ontwikkel een voortraject en focus dan op werknemersvaardigheden, taal, en verwachtingsmanagement.
Interculturele bewustwording
Verder adviseren de onderzoekers te zorgen voor interculturele bewustwording of expertise in het team. ‘Zet waar mogelijk consulenten in die de taal spreken of de culturele achtergrond delen van statushouders.’ Dit versnelt de vertrouwensopbouw en voorkomt misverstanden die anders tot uitval kunnen leiden. Het is ook verstandig om werkgevers en professionals training aan te bieden in omgaan met cultuurverschillen op de werkvloer. Verder is het handig om bestaande werkgeversnetwerken te benutten, om met één vast aanspreekpunt werkgevers te ontzorgen en werk met een plan ‘van start- naar droombaan’.
Lessen voor het rijk
Lessen voor het rijk zijn er trouwens ook. Omdat gemeenten de vrijheid hebben om zelf invulling te geven aan de startbaan, is er ook geen eenduidige definitie. Een vergelijking op effectiviteit van de proeven is dus niet mogelijk. ook heeft het consequenties voor de opschaling van startbanen. De rijksoverheid kan gemeenten dan het beste faciliteren en stimuleren en niet kiezen voor het ‘uitrollen’ van een uniform uitvoeringsmodel voor startbanen. Ook kan de rijksoverheid gemeenten ondersteunen bij het ontwikkelen van een integrale werkwijze voor de Wet inburgering en de Participatiewet.
Extra proeven
Daarnaast kan het rijk gemeenten ondersteunen door de bekendheid van bestaande instrumenten te vergroten, zoals de subsidieregeling voor werkgevers die statushouders in dienst nemen en best practices uit het Plan van aanpak ‘statushouders aan het werk’. De minister schrijft dat in december 2025 dertien extra proeven zijn gefinancierd om met startbanen aan de slag te gaan. De inzichten uit de evaluatie en de nieuwe proeven neemt Aartsen mee in zijn plan voor nieuwkomers aan het werk, dat hij voor de zomer naar de Tweede Kamer wil sturen, en in de evaluatie van de Wet Inburgering in 2027.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.