Regionaal economisch beleid gaat er vaak impliciet van uit dat mensen verhuizen naar regio’s waar onderwijs en werk te vinden zijn. In de praktijk is de ruimtelijke mobiliteit van jongeren echter beperkt en zijn er grote verschillen naar regio en opleidingsniveau. Dat constateren onderzoekers Femke Cnossen en Harm-Jan Rouwendal in economievakblad Economisch Statistische Berichten (ESB). Zij waarschuwen: ‘Beleid dat uitgaat van mobiliteit kan de uitvoerbaarheid van ambities ondermijnen en regionale ongelijkheid juist vergroten’. Tegelijkertijd riskeren krimpregio’s een verder verlies aan menselijk kapitaal als de hbo’ers en wo’ers ondertussen wel vertrekken.
Meeste jongeren blijven wonen in de gemeente waar ze opgroeiden
Beleid dat primair inzet op het trekken van werknemers naar nieuwe regio’s gaat voorbij aan een sterke regionale binding, aldus onderzoekers
In de economische literatuur geldt ruimtelijke mobiliteit als een belangrijk mechanisme om regionale verschillen op te vangen. Als een regio te maken krijgt met economische tegenwind of weinig werkgelegenheid, is de veronderstelling dat mensen vertrekken naar plekken met betere kansen. Ook bij regionaal economisch beleid wordt daar impliciet op gerekend. Nieuwe banen die ontstaan door investeringen in onderzoek, innovatie en technologie zouden bijvoorbeeld werknemers uit andere regio’s aantrekken, zoals bij Brainport Eindhoven en Wageningen Foodvalley.
Verbonden
Die aanname blijkt echter niet altijd op te gaan. ‘Empirisch onderzoek laat echter zien dat de mobiliteitsrespons vaak beperkt is’, schrijven Cnossen en Rouwendal, onderzoekers aan de Rijksuniversiteit Groningen. Mensen verhuizen hun woonplaats maar beperkt als elders betere economische kansen ontstaan. Vaak blijven ze verbonden aan de regio waarin ze zijn opgegroeid. Dat geldt volgens de wetenschappers vooral voor praktisch opgeleiden, voor wie sociale netwerken en lokale binding een belangrijke rol spelen.
Mbo, hbo, wo
De verschillen tussen mbo-, hbo- en wo-opgeleiden zijn aanzienlijk. Van de wo’ers woont gemiddeld slechts 30 procent op 28-jarige leeftijd nog in de gemeente waar zij zijn opgegroeid. Onder mbo’ers ligt dat aandeel boven de 60 procent.
Verschillen gemeenten
Ook tussen gemeenten zijn de verschillen groot. Gemiddeld woont 55 procent van de jongeren op 28-jarige leeftijd nog in de gemeente waar zij op hun zestiende woonden. In sommige gemeenten ligt dat percentage een stuk hoger. Urk weet met een blijfpercentage van 80 procent haar jongeren het beste te binden. Ook grote steden kennen relatief veel blijvers: Amsterdam 74 procent, Rotterdam 71 procent, Utrecht 63 procent, en Groningen en Maastricht beide 64 procent.
Minder stedelijke gebieden in de Randstad en in het noorden van Nederland zien juist veel jongeren uit hun gemeente vertrekken. Bloemendaal kent met 14 procent het laagste aandeel jongeren dat in de eigen gemeente blijft.
Jongeren blijven in de buurt
Vertrekken jongeren wel, dan betekent dat bovendien niet automatisch dat ze ver weg verhuizen. Gemiddeld woont 80 procent van de jongeren op 28-jarige leeftijd nog in de provincie waar zij op hun zestiende woonden. ‘De meeste vertrekkende jongeren blijven dus in de buurt’, concluderen Cnossen en Rouwendal. Vooral in Noord- en Zuid-Holland, delen van Noord-Brabant en Twente ligt het aandeel jongeren dat binnen de provincie blijft hoog. Drenthe, Flevoland en Zeeland zien juist veel jongeren vertrekken.
Trek naar grote steden
Met name hbo- en wo-geschoolden in niet-stedelijke gemeenten of stedelijke gemeenten zonder hogeschool of universiteit trekken vaker naar de grote steden. De onderzoekers wijzen op de concentratie van banen voor hbo- en wo-opgeleiden in stedelijke gebieden. Opvallend is volgens hen dat met name uit Groningen en Zeeland bovengemiddeld veel hbo’ers vertrekken.
Afname
Het aandeel jongeren dat in de eigen gemeente blijft is in de loop der jaren wel afgenomen. Jongeren die in 2024 28 jaar werden, wonen vaker elders dan degenen die in 2008 die leeftijd bereikten. Voor eerdere geboortejaren lag het aandeel blijvers gemiddeld boven de 50 procent; voor cohorten geboren na 1990 is dat gedaald tot onder de helft. Ook in de meest stedelijke gemeenten, waar het aandeel blijvers jarenlang rond de 58 procent lag, is een duidelijke daling zichtbaar.
Krapte woningmarkt
De onderzoekers noemen verschillende mogelijke verklaringen. De krapte op de woningmarkt kan bijvoorbeeld een rol spelen, hoewel het effect daarvan niet eenduidig is. ‘Enerzijds zou woningschaarste ertoe kunnen leiden dat jongeren langer bij hun ouders blijven wonen, wat het blijfpercentage juist zou verhogen. Anderzijds kan het zo zijn dat jongeren die geen woning in hun opgroeigemeente kunnen vinden, eerder elders op zoek gaan, wat het blijfpercentage zou verlagen.’
Daarnaast kunnen ook andere ontwikkelingen bijdragen aan de toegenomen mobiliteit, zoals veranderingen op de arbeidsmarkt, een hogere onderwijsparticipatie in universiteitssteden of culturele verschuivingen in woon- en werkvoorkeuren.
‘Fundamenteel probleem’
Cnossen en Rouwendal waarschuwen: als praktisch opgeleiden niet of nauwelijks verhuizen naar regio’s met personeelstekorten, ontstaat volgens de auteurs ‘een fundamenteel probleem’. ‘Beleid dat uitgaat van mobiliteit kan de uitvoerbaarheid van ambities ondermijnen en regionale ongelijkheid juist vergroten in plaats van verkleinen’, stellen de onderzoekers. ‘Regio’s die al kampen met personeelstekorten in de zorg, het onderwijs of de bouw kunnen deze problemen niet oplossen door simpelweg te rekenen op instroom van elders. Tegelijkertijd riskeren krimpregio’s een verder verlies aan menselijk kapitaal als de hoogopgeleiden ondertussen wel vertrekken.’
Regionaal beleid
Wat betreft de wetenschappers moet regionaal beleid daarom beter rekening houden met de verschillen in mobiliteit. ‘Gerichte investeringen in opleidingsmogelijkheden en werkgelegenheid in krimpregio’s kunnen een diverse lokale talentpoel bestendigen en arbeidsmarktkrapte tegengaan, en zijn daarmee net zo relevant als het stimuleren van economische kerngebieden. Beleid dat daarentegen primair inzet op het trekken van werknemers naar nieuwe regio’s gaat voorbij aan de sterke regionale binding die uit onze analyses naar voren komt, en aan de beperkte mentale kaart die werknemers van onbekende regio’s hebben’.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.