Lokale partijen wonnen de gemeenteraadsverkiezingen. De iets hogere opkomst is geen reden voor optimisme, aldus politicoloog/onderzoeker Floris Vermeulen. Hij waarschuwt ervoor dat in sommige wijken 80 procent stemt en in andere wijken – met veelal een lage welvaart - slechts 10, 15 of 30 procent. Hij bepleit een wijkaanpak, waarbij inwoners op alle mogelijke manieren worden betrokken en langdurig en structureel wordt geïnvesteerd. (zie Volkskrant 19/20 maart 2026).
Een luisterend oor in de wijk
Participatie moet je willen louter vanwege het participeren zelf, los van welk effect dan ook.
Zo’n wijkaanpak is er al: vanuit het Sociaal Domein en vanuit de transitie Zorg naar Gezondheid. Wijkregisseurs, gebiedscoördinatoren of hoe ze ook heten, maken samen met inwoners een wijkagenda en voeren die wijkgericht met een wijkaanpak uit. Deze aanpak past helemaal bij de beoogde verandering van de Omgevingswet, waarbij een sectorale benadering wordt vervangen door een gebiedsgerichte benadering van de fysieke leefomgeving. De instrumenten zijn: het (gebieds)programma en het omgevingsplan.
Sociaal en fysiek domein zouden elkaar dus moeten kunnen vinden in dezelfde instrumenten.
Bij beide instrumenten is vroegtijdige participatie als opdracht voor de overheid voorgeschreven. Momenteel zijn er nog geen nieuwe omgevingsplannen en weinig gebiedsprogramma’s. Veel ontwikkelingen worden geregeld met een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Aanvragers hiervan zijn alleen verplicht om participatie te organiseren als de gemeenteraad dat heeft bepaald.
In maart publiceerde het Tijdschrift voor Bouwrecht een juridische analyse over vroegtijdige participatie bij de omgevingsvergunning. Daarin wordt op deze beperking gewezen. Juridisch komt het neer op een (laagdrempelige) inspanningsverplichting ten behoeve van een aanvraag. De aanvrager is niet gebonden aan het participatiebeleid van de gemeente of aan participatiegidsen, handreikingen en dergelijke. Het is maatwerk en vormvrij.
De ondergrens - dat het ‘daadwerkelijk van enige betekenis’ moet zijn – is afhankelijk van de aard van het project en de impact op de omgeving. Het mag geen afvinkverplichting of formeel proces zonder inhoud zijn, maar moet een uitwisseling van informatie en standpunten tussen participerende partijen inhouden. Ging het niet goed, dan kan het in een beroepsprocedure niet, maar tijdens de zienswijzeprocedure of bij bezwaar wel worden hersteld.
De auteur constateert dat er pas formele zekerheid is bij de belangenafweging over de vergunningverlening, waarbij de opbrengsten van de participatie worden meegewogen. Voordelen genoemd in vroegere rapporten, zoals meer draagvlak en tijd- en geldwinst zijn niet bewezen. Gesuggereerd, maar evenmin bewezen, is dat participatie vertragend werkt. De regeling is iets moeilijks: het wil een juridische waarborg geven voor een in essentie informeel proces.
De auteur ziet twee knelpunten: verkeerde verwachtingen bij participanten en het ontbreken van materiële toetsing door de rechter. De analyse besluit met twee tips: overheden doe aan verwachtingenmanagement, en wetgever onderzoek of een wetswijziging nodig is.
Een goede analyse, maar niettemin ‘slechts’ de juridische invalshoek. Logisch natuurlijk, in een juridisch tijdschrift, maar toch. Jurisprudentie gaat vooral over situaties met klachten over participatie. Zaken waar het wel gewerkt heeft, komen niet bij de rechter. De analyse betreft de periode 2024 -2026, waarbij het vooral ging over zaken waarop het oude recht van toepassing was. Vroegtijdige participatie had daarin niet de betekenis die de Omgevingswetgever beoogt. Vaak was er nog geen participatiebeleid. Beleid dat er wel was, werd in de literatuur gekwalificeerd als ‘niet altijd even duidelijk’.
Vroegtijdige participatie verdient een bredere blik. Het is volop in ontwikkeling. Participatiebeleid zal – verwacht ik – belangrijker worden: niet zozeer voor de aanvrager, wel voor het bevoegd gezag. Artikel 3:2 Awb schrijft immers voor dat bij de voorbereiding van een besluit het bestuursorgaan de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Was er geen of gebrekkige participatie, dan zal het bevoegd gezag actief - vanwege de (verbeter)doelen van de Omgevingswet en het eigen participatiebeleid - zelf iets moeten organiseren.
De verkiezingsuitslag laat zien, dat mensen gehoord willen worden. Participatie levert misschien geen tijd- of geldbesparing of draagvlak voor een aanvraag op, maar is wel nodig voor herstel van vertrouwen in de overheid en voor begrip waarom besloten wordt zoals er besloten wordt. Participatie moet je dus willen louter vanwege het participeren zelf, los van welk effect dan ook. Niet als verantwoordelijkheid van de aanvrager, maar als taak van de overheid. Omdat een democratische rechtsstaat zorg nodig heeft.
Vroegtijdig is vroegtijdig: voordat er aanvragen of besluiten liggen. Als het nog gaat over wat je samen wilt behouden en/of verbeteren en wat daarbij wel of niet past. Dat landt in het omgevingsplan, eventueel geflankeerd door een gebiedsprogramma. Daarbij is participatie een taak voor de overheid.
Mensen willen betrekken bij hun leefomgeving, betekent: niet beginnen met de mededeling dat men er geen verwachtingen bij mag hebben! Dat slaat meteen het proces dood. Wel: goed uitleggen hoe het zal verlopen, wat ermee wordt gedaan en hoe je dat terugziet.
Daarom is het funest als het bij informeren (door een aanvrager) blijft.

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.