‘Geduldig papier. Formeren in stad en land’ heet het nieuwste boek van Joop van den Berg. De onvermoeibare emeritus hoogleraar, oud-VNG-hoofddirecteur, voormalig Eerste Kamerlid (PvdA) en oud-journalist heeft nog altijd een eigen blik op het openbaar bestuur en de politiek.
‘Schaf die Kamerontbinding maar af’
‘Oppositie voeren in de gemeente werkt niet’, aldus Joop van den Berg die in het boek ‘Geduldig papier’ lokaal formeren onder de loep neemt.
Het is een warme vrijdagmiddag in juli, maar de woning van Joop van den Berg (85) in Alphen aan den Rijn is goed gekoeld. Dat komt deels door de hoge plafonds van het omgebouwde voormalig jeugdinternaat, waar het appartement zich in bevindt. We hebben het meteen over de presentatie van het nieuwe (lokale) Haagse coalitieakkoord die dag en de keuze voor tien wethouders. Het gaat dus direct al over formeren, het onderwerp van zijn nieuwste boek.
Waarom heet uw boek ‘Geduldig papier’?
‘Er is bij de formatie veel aandacht voor de gezamenlijke tekst, terwijl het, zeker lokaal, aankomt op vertrouwen en gedrag. Je kunt de tekst beter tot de harde conflictpunten beperken. Doe dat met elkaar voor er ongelukken gebeuren. En let op de kwaliteit van de wethouders. Geef de eigen capaciteiten van wethouders de ruimte. Ik zou zelf geen minister willen worden als alles al vastligt.’
De formatie begint vaak met de verdeling van de portefeuilles, weet Van den Berg. Maar nu worden er visieprogramma’s gemaakt, terwijl colleges dat zelf zouden moeten doen, vindt hij. ‘De fracties moeten zich beperken tot de conflictpunten. Er bestaat een soort calvinistisch geloof in de heiligheid van de tekst. Maar wat op papier staat, is vaak al uitgewerkt en er zijn regelmatig nieuwe ontwikkelingen. Je laat de werkelijkheid dan onvoldoende toe.’ Gekscherend: ‘Je hebt bijna een pandemie nodig om dat voor elkaar te krijgen.’
Met uitgebreide coalitieakkoorden kunnen ook zwakke ministers het lang volhouden, zegt Van den Berg. ‘Want ze kunnen zich verschuilen achter het regeerakkoord. In dit minderheidskabinet slagen ministers pas als ze met fracties tot zaken weten te komen.’ Hij wijst op minister Hans Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. ‘Bij hem kan het gebeuren dat hij eigenlijk al een akkoord heeft met werkgevers, vakbonden en oppositiepartijen, maar dat dan de VVD in de moeilijkheden komt, omdat dat financieel niet was afgesproken. Je ziet dat conflict al aankomen. Ze komen in ieder geval nog steeds niet uit de begroting.’
Qna verloop van tijd zie je dat oppositie voeren in de gemeente niet werkt
Terug naar de gemeentepolitiek. Dat colleges gepolitiseerd raakten begon pas begin jaren zeventig in Groningen, memoreert u in uw boek. Wat gebeurde er toen?
‘De jonge PvdA’er Max van den Berg wilde een college met een uitgesproken programma en een politieke meerderheid in het college. Dat was tot dan toe onbekend: er waren enkel afspiegelingscolleges. Maar dan zakt alles in modder, vond hij. Er was ook interne discussie binnen de partij: sommigen waren tegen het programcollege. Dat had te maken met cityvorming. Van den Berg wilde de oude stad weer bewoonbaar maken, maar oudgedienden wilden dat niet. De auto mocht niet meer dicteren, vond Van den Berg. ‘Als de PvdA het niet zou doen, lukte het niet. Je moest dus meerderheden vormen. Het verkeerscirculatieplan was hét voorbeeld.’
Als NRC-columnist zag Van den Berg zelf dat het een heel goed idee was. ‘Je kon een stukje de stad in en was er ook zo weer uit, en aan de randen waren vier parkeergarages. Het bleek een voorloper. Het programcollege heeft daarna school gemaakt. Ik vond de gemeente zelf destijds niet geschikt voor een programcollege, maar moest toegeven dat het de eerste tien jaar goed werkte. Er is veel gebeurd door stadsvernieuwing en het bewoonbaar maken van de stad en later ook rond het oude centrum, zoals je ook kunt zien in Den Bosch en Amersfoort. Je zag dat het gemeentebestuur een motor was. Daarna werd het een normaal verschijnsel.’ Het ging dan wel om een breed college en met het idee dat stevige oppositie ook goed is. ‘Maar na verloop van tijd zie je dat oppositie voeren in de gemeente niet werkt’, aldus Van den Berg. ‘De contacten met het college versloffen en oppositiepartijen verzuren. Een deel van de raad valt eruit.’
De verkenner is heel belangrijk, dus dat mag je wel wat beter regelen.
Voor de jaren zeventig was er een wettelijke termijn van zes weken om te formeren. Is dat niet een mooie vaste termijn om naar terug te keren?
‘Na zes weken moest de verkiezing van de wethouders worden gehouden, maar met de Wet dualisering in 2002 is het eruit gehaald. Fracties gingen serieuzer sleutelen en moesten daar ook de tijd voor krijgen. Er was geen reden voor een termijn van bovenaf. Besturen werd ook ingewikkelder en er kwamen medebewindstaken bij. Daarbij hebben de meeste raadsleden een baan, dus kunnen ze alleen in de avond en weekenden.’
Maar een termijn van zes weken? In 2010 was Van den Berg zelf informateur na een bestuurscrisis in Maastricht. ‘Ik wilde toen niet maanden overleggen. Binnen een week moest alles voor elkaar zijn. Ik heb hen streng toegesproken en ze vonden zelf ook dat het snel moest gaan, want de nieuwe burgemeester zou snel aantreden. En ze hebben het gedaan. Er is hard doorgewerkt, ook met clubjes raadsleden op thema. Het tempo is erbij gediend door specialisten bij elkaar te zetten. Die schrijven het programma mee. De tekst wordt langer, maar het schept ook een band.’ Bijna iedereen wil voor de zomer klaar zijn, weet Van den Berg. ‘Zes weken is kort, maar je kunt best met een deadline werken. Bij de meesten is het in enkele weken klaar. Je moet een beetje vertrouwen hebben dat de democratie werkt.’
In zijn boek gaat Van den Berg in op de noodzaak en wenselijkheid van verkenners en informateurs in de landelijke en lokale politiek. ‘Verkennen kan de grootste fractie ook doen: om zich heen kijken en met mensen spreken.’ Hij wijst erop dat de verkenner het enige onderdeel van de formatie is waarover niks is geregeld, ‘terwijl het werk van de verkenner redelijk beslissend is’. Iedere keer blijkt dat die de richting van de formatie aangeeft. ‘Dat geldt ook voor gemeenten. Een goede verkenner regelt de hele formatie. De verkenner is heel belangrijk, dus dat mag je wel wat beter regelen.’
Uiteindelijk komt het bij formeren neer op persoonlijk vertrouwen, concludeert u. U doet een aantal aanbevelingen. Welke wilt u vooral meegeven aan gemeenten?
‘Zoek het niet in een cordon sanitaire, maar zoek elkaar op en vecht het uit. Neem elkaar dus serieus. Problemen los je niet op door anderen buiten de deur te zetten, tenzij die zichtbaar antidemocratische ideeën hebben. FvD mag je van mij rigoureus uitsluiten, maar anderen niet. Een andere aanbeveling is de homogeniteitsregel: niemand weet dat dit gemeentelijk niet geldt. Voor de oorlog was het gebruikelijk dat een wethouder met een eigen voorstel naar de raad ging, in afwijking van de meerderheid. En dat kan nog steeds. Ik zou het niet gek vinden dat als je het als college ergens over oneens bent, je met alternatieven naar de raad gaat. Waarom mag dat niet?’
En een aanbeveling voor de landelijke politiek?
(Lacht) ‘Dan zeg ik: schaf die Kamerontbinding maar af, want daar heb je niks aan.’
Lees het hele interview met Joop van den Berg in BB14 (gratis inlog)
Reacties: 1
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.
"‘Zoek het niet in een cordon sanitaire, maar zoek elkaar op en vecht het uit. Neem elkaar dus serieus. Problemen los je niet op door anderen buiten de deur te zetten, tenzij die zichtbaar antidemocratische ideeën hebben. FvD mag je van mij rigoureus uitsluiten, maar anderen niet."
Het FvD heeft dus antidemocratische ideeën? Waar blijkt dat uit?