Er bestaan twee soorten wetten. Wetten die netjes worden nageleefd en doen waarvoor ze zijn gemaakt. En wetten waarbij meteen wordt gezocht naar de handigste uitzondering.
Parttimewethouder als politieke sluiproute
Wanneer de parttimeregeling voor wethouders wordt misbruikt voor partijpolitieke en financiële doelen, wordt het tijd deze aan te scherpen.
Met de regeling voor parttimewethouders is precies dat gebeurd. Niet dat er iets mis is met parttimewethouderschap. Integendeel. Niet iedere gemeente heeft uitsluitend behoefte aan voltijdswethouders. Soms is het juist wenselijk dat een wethouder daarnaast huisarts, ondernemer of wetenschapper blijft. Ook zorgtaken of een beperking kunnen een deeltijdaanstelling rechtvaardigen. Juist daardoor wordt het wethouderschap voor meer mensen toegankelijk.
Maar ook deze bestuursperiode wordt de parttimeregeling niet ingezet om het ambt in individuele gevallen toegankelijk te maken, maar om andere, minder nobele motieven te faciliteren.
Allereerst wordt de regeling toegepast om het maximumaantal wethouders op te krikken. Dat aantal is wettelijk vastgesteld op twintig procent van het aantal raadsleden, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. Toch hebben Rotterdam en Den Haag – met 45 raadsleden en een maximum van negen wethouders – deze bestuursperiode tien wethouders benoemd.
De parttimeregeling maakt het mogelijk meer personen te benoemen als een of meer wethouders in deeltijd gaan werken. Logisch, anders zou het aanstellen van een deeltijdwethouder tot gevolg hebben dat een gemeente niet over de maximale wethouderscapaciteit kan beschikken. Maar hier wordt de regeling niet gebruikt omdat iemand minder wil werken. Zij wordt gebruikt om het college anders samen te stellen. In Rotterdam wilden de kleinste fracties in een coalitie van vijf partijen ook ‘een eigen wethouder’. De grotere fracties stonden erop dat de onderlinge getalsverhoudingen in de coalitie ook in het college behouden bleven. In Den Haag bedong Hart voor Den Haag vijf wethoudersposten, vermoedelijk om ook in het college met de verkiezingsoverwinning van zestien zetels te kunnen pronken. Alleen door met de parttimeregeling het aantal wethouders uit te breiden, was het mogelijk iedere coalitiepartij een eigen wethouderspost te bezorgen.
De tweede ontwikkeling is minder zichtbaar, maar principiëler. Voor parttimewethouders gelden andere regels voor de verrekening van inkomsten uit nevenactiviteiten. Dat is begrijpelijk wanneer iemand daadwerkelijk voor een deel andere werkzaamheden blijft verrichten. Maar ook dan kun je, zo blijkt, de parttimeregeling handig voor iets anders inzetten.
Als een uitzondering structureel wordt gebruikt voor een doel waarvoor zij niet is ontworpen, is het tijd de wet aan te passen
In onder meer Rucphen, Altena en Steenbergen traden wethouders aan met een aanstelling van 95 procent. Laten we eerlijk zijn: een wethouder die voor 0,95 fte ‘op de payroll staat’, werkt geen minuut minder dan een voltijdscollega. Een wethouderschap vraagt al snel zestig tot zeventig uur per week; die vijf procent bestaat in de praktijk niet. Dat iemand met een aanstelling van 80 procent een dag in de week vrijhoudt, is nog wel voor te stellen. Bij alles daarboven moeten echter andere motieven een rol spelen dan het vrijhouden van tijd voor nevenactiviteiten.
Een daarvan is het niet hoeven verrekenen van neveninkomsten. Vijf procent van de wethoudersvergoeding inruilen voor de mogelijkheid om neveninkomsten niet te hoeven verrekenen, zou weleens lucratief kunnen zijn. Daarvoor is de regeling echter niet bedoeld. ‘Ik omzeil de regels niet, ik maak er gebruik van’, verklaart een van de schijnparttimers tegenover BN DeStem.
Een derde motief voor de parttimeaanstelling grenst aan het absurde. De raad van Epe benoemde vijf wethouders, allen voor negentig procent. Niemand gelooft dat een wethouder iedere vrijdagmiddag zijn tas dichtklapt omdat de laatste tien procent van de werkweek erop zit. De deeltijdaanstelling moest vooral de indruk wekken dat het college goedkoper werd. Maar de bestuurlijke verantwoordelijkheid blijft hetzelfde. Het aantal bestuurders blijft hetzelfde. De kosten voor de ondersteuning, meestal een veelvoud van de wethoudersvergoedingen, blijven eveneens gelijk. Alleen op papier lijkt de overheid goedkoper uit. De consequentie daarvan is dat het lijkt alsof gemeenten de salarissen van wethouders zelf mogen bepalen. Symboolpolitiek dus, betaald met de rechtspositie van bestuurders.
Terug naar de bedoeling van de regeling. Ook uit de parlementaire behandeling blijkt dat zij bedoeld is om het wethouderschap voor meer mensen toegankelijk te maken. Niet om politieke verhoudingen op het college te projecteren, de regels voor neveninkomsten te omzeilen of een schijn van soberheid op te houden. De regeling dient zo niet langer de individuele wethouder, maar partijpolitieke en financiële belangen. Misschien is dat niet in strijd met de letter van de wet, maar het is wel moeilijk te rijmen met de bedoeling ervan.
Als een uitzondering structureel wordt gebruikt voor een doel waarvoor zij niet is ontworpen, is het tijd de wet aan te passen. Dat kan met één eenvoudige aanvulling: een parttimewethouder is iemand die maximaal tachtig procent werkt; alles daarboven geldt als voltijdswethouderschap. Daarmee blijft de regeling bestaan voor wie haar werkelijk nodig heeft, maar verliest zij haar aantrekkingskracht als achterdeur voor andere doelen. Zo wordt zij weer wat zij ooit was: een uitzondering voor de persoon en geen truc om het college als instituut te veranderen.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.