Het eind mei verschenen Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) biedt een gezaghebbend overzicht van de aard, omvang en maatschappelijke gevolgen van de ondermijnende effecten van georganiseerde criminaliteit. De koersbrief van de minister van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer bouwt daarop voort. Beiden vormen een belangrijke stap in de ontwikkeling van het Nederlandse ondermijningsbeleid.
Meer aandacht voor institutionele kracht tegen ondermijning
Er ontbreekt iets belangrijks in het Dreigingsbeeld Ondermijning: aandacht voor hoe in de praktijk tegen die dreiging wordt opgetreden.
Een belangrijke verdienste van het DON, opgesteld door het Strategisch Kenniscentrum Ondermijnende Criminaliteit (SKC), is het heldere onderscheid tussen georganiseerde criminaliteit en ondermijning. Georganiseerde criminaliteit verwijst naar de criminele activiteiten en netwerken zelf; ondermijning naar de maatschappelijke effecten daarvan: aantasting van instituties, beïnvloeding van bestuur en economie, vervaging van normen en afnemend vertrouwen in de rechtsstaat. Het DON toont dat het begrip ondermijning aansluit op de bestuurlijke aanpak die van de grond is getild.
Eveneens waardevol is dat het rapport oog heeft voor de toenemende verwevenheid van georganiseerde criminaliteit met statelijke actoren. Internationale machtsverhoudingen, geopolitieke belangen en georganiseerde misdaad zijn met elkaar verweven. Daarmee verbreedt het DON terecht de blik voorbij de klassieke criminaliteitsbestrijding.
Juist daarom valt één omissie op. Het rapport analyseert uitvoerig de dreiging, maar besteedt relatief weinig aandacht aan de vraag hoe hier in de praktijk tegen wordt opgetreden. De maatschappelijke schade van georganiseerde criminaliteit wordt immers niet alleen bepaald door de kracht van criminele netwerken, maar ook door de kwaliteit van bestuur, publieke instituties, maatschappelijke organisaties en private partijen die daartegen weerstand bieden.
Daarmee blijven belangrijke vragen onbeantwoord. Hoe weerbaar zijn gemeenten en uitvoeringsorganisaties? Welke vormen van samenwerking blijken effectief? Welke lessen zijn geleerd in vijftien jaar bestuurlijke aanpak van ondermijning? En waar liggen de grootste kwetsbaarheden? Een volledig dreigingsbeeld vraagt niet alleen om een analyse van de dreiging, maar ook van het optreden daartegen.
Van de minister mag worden verwacht dat versterking van institutionele tegenkracht expliciet onderdeel wordt van de nationale strategie
Juist op dat punt heeft Nederland veel ervaring opgebouwd. Onder leiding van burgemeesters zijn nieuwe bestuurlijke werkwijzen ontwikkeld waarin gemeenten, politie, justitie, Belastingdienst en maatschappelijke partners gezamenlijk optreden tegen criminele gelegenheidsstructuren. Die praktijk heeft niet alleen geleid tot nieuwe interventies, maar ook tot nieuwe inzichten over de aard van ondermijning en de betekenis van bestuurlijke weerbaarheid. Deze ervaringen zijn inmiddels een belangrijk fundament onder de Nederlandse aanpak, maar krijgen in het DON beperkte aandacht.
Ook de koersbrief van de minister laat hier kansen liggen. De gekozen prioriteiten – een veilige en integere economie, corruptiebestrijding en internationale samenwerking – zijn zonder meer relevant. Minder duidelijk wordt hoe de bestuurlijke en maatschappelijke weerbaarheid op lokaal en regionaal niveau verder wordt versterkt. Juist daar wordt zichtbaar hoe georganiseerde criminaliteit doorwerkt in buurten, bedrijven en maatschappelijke instituties.
Recente gebeurtenissen, zoals de explosie van een opslag met explosieven in Amsterdam-Osdorp en de slepende problematiek rond glazenwassers in Zaanstad, illustreren dat ondermijning zich uiteindelijk manifesteert in de samenleving zelf. Dat geldt ook voor de discussie rond Preventie met Gezag (PmG). De PmG-aanpak richt zich vaak op afzonderlijke projecten, terwijl de meer fundamentele vraag is hoe de overheid in kwetsbare wijken daadwerkelijk gezag organiseert en zichtbaar maakt. Daarnaast staan de lokale opsporingscapaciteit en de bestuurlijke slagkracht van veel – met name kleinere – gemeenten onder druk. Dat remt de institutionele tegenkracht.
Het DON levert een belangrijke analyse van de dreiging. De volgende stap is een even systematische analyse van de maatschappelijke en bestuurlijke weerbaarheid die daartegen wordt georganiseerd. Van het SKC mag worden verwacht dat deze dimensie een vaste plaats krijgt in toekomstige dreigingsbeelden of deelrapportages. Van de minister mag worden verwacht dat versterking van institutionele tegenkracht expliciet onderdeel wordt van de nationale strategie. Dat zou een logische vierde strategische prioriteit zijn.
Terugkijkend sluit dit aan bij de analyse die wij in Een pact voor de rechtsstaat (2022) maakten: ondermijnende drugscriminaliteit is niet alleen een vraagstuk van criminaliteit en openbare orde, maar ook een nationale dreiging die de weerbaarheid van de democratische rechtsstaat op de proef stelt. Het DON laat overtuigend zien hoe groot de dreiging is; de volgende stap is scherp in beeld brengen hoe die weerbaarheid kan worden versterkt.
Peter Noordanus (oud-burgemeester van Tilburg), Pieter Tops (emeritus-hoogleraar bestuurskunde) en Edward van der Torre (lector ondermijning).
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.