We zijn er in ons kikkerlandje behoorlijk slecht in om op een beetje praktische manier ruimte maken voor ‘gevoelens’, zeker de negatieve. Angst, verdriet, woede, rouw, schaamte en ook de begeerte en de eerzucht, dat wat oude Grieken pathos noemen. We grappen pijn weg of verklaren angst en woede buiten de geldende orde. Rouwen doen we hooguit een maandje. En we sauzen waardeconflicten snel dicht met wat technocratie, een handige meerderheid en een dikke lik juristerij.
Gek genoeg
Als we onze gevoelens geen praktische ruimte geven, dan gaan ze juíst met ons op de loop.
Zeker in een ‘professionele context’ is het een privilege om gevoelens te kunnen uiten. Een grote baas mag briesen, ’echt geraakt’ zijn of ambitieus op het maniakale af. De meeste anderen niet, dat is onprofessioneel. Dan moet je er uiting aan geven door een beetje te grappen en zo ontluchtingsventieltjes openzetten, heel voorzichtig, op je hoede voor al te veel ‘spiritueel gedoe’ of, godbetert, hysterie. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg, toch? Dit typisch Nederlandse spreekwoord betekent, gek genoeg, niet dat iedereen af en toe een potje huilt of trilt. Het leidt juist tot heel raar wegpraten van wat we ervaren in hart en lijf. Terwijl we in het zinnelijke, het (opeens) opkomende gevoel, iets dat raakt en iets met je doet, het streven van de mens herkennen. Dat beweegt ons!
Als we onze gevoelens geen praktische ruimte geven, dan gaan ze juíst met ons op de loop. Dat zien we gebeuren, en echt niet alleen op het Malieveld. Het uit zich ook in gepieker in de nacht en in ‘houden wat je hebt’-gedrag uit angst voor wat er mogelijk aankomt voor jou of je kinderen. Alleszins begrijpelijk, maar dat ondermijnt de solidariteit. We voelen ons dan nog meer op onszelf aangewezen en dat is doodeng en dus word je nog bozer of banger of allebei.
Deze zelfsluitende logica kunnen we doorbreken met wat ‘burgerschap’. Tien jaar geleden schreef René Gude in het fijne boekje Het agoramodel (agora betekent plein) over de plekken waar we ons menszijn kunnen beoefenen. In de religie, de sport, in de filosofie/wetenschap en de cultuur herkent hij ‘trainingsplekken’ voor de privé, private, politieke en publieke sferen waar iedereen zich idealiter ontspannen kan bewegen.
Het is juist in die publieke sfeer waar we onze driften, opkomende gevoelens en botsende waarden productief kunnen maken
Privé is in dat geval de plek van de familie en nabije vrienden, het zorgen en knuffelen, de rituelen voor eten, vieren, rouwen. Privaat is de plek van de markt: de sfeer van de onderlinge uitwisseling van tijd, kennis, spullen en geld en het ‘samen rennen’ (de letterlijke betekenis van concurreren, hoe grappig). In de politieke sfeer bepalen we met elkaar, door woorden uit te wisselen, hoe de wereld kennelijk in elkaar zit, wat dan verstandig is om te regelen en hoe we onszelf tegen onze eigen driften willen laten beschermen door de staat. Daar ook verantwoorden we ons aan elkaar over hoe we dat gaan doen en hebben gedaan.
En tot slot is er de publieke sfeer. Dit is de sfeer waar we ons verenigen, die van het maatschappelijk initiatief. (Dat ‘gemeenschappelijke' zijn we ook in de formele instituties weer aan het herontdekken. Daarvoor is het geen moment te laat, want het is de grond waarop de legitimiteit van die instituties rust.) We hebben het hier over de commons, de vrijwillige samenwerking en de shared space.
In die sfeer is het geen harmonieus burenparadijs, uiteraard. Want de buurman is soms ook een klaphark. Niet iedereen is gebaat bij gelijkwaardigheid en het is ook niet zo dat ‘de goeden’ altijd winnen. Als we het idee volhouden dat in de echte wereld de uiteindelijke overwinnaar wel de good guy moet zijn, dan offeren we het recht op aan macht, zei Ursula le Guin terecht.
Het is juist in die publieke sfeer waar we onze driften, opkomende gevoelens en botsende waarden productief kunnen maken. Of zoals er op de muur bij het Brusselse Noordstation staat: ‘Niet panikeren, maar organiseren’. In de publieke sfeer verkennen we met elkaar als vrije mensen het goede leven. Daar helpt de verbeelding ons om ons voorstellingsvermogen steeds wat op te rekken. Daar zijn we altijd al in staat geweest om met elkaar ‘dingen vorm te geven’ die ons goede leven mogelijk maken. Wat meer ontspannen omgaan met verschil is daar handig en leer je er dus. Van buurtmoestuin tot woningbouwvereniging. Steeds méér vrijheid en solidariteit in plaats van almaar minder.
Heel gewoon. Kennelijk is dat altijd al gek genoeg geweest.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.