De overheid heeft sinds de jaren tachtig steeds meer ingezet op activering: wie een uitkering ontvangt, moet zo snel mogelijk weer aan het werk. Toch is de uitstroom uit de bijstand naar werk niet structureel toegenomen. Arbeidseconoom Paul de Beer vraagt zich daarom af of het uitgangspunt dat iedereen naar regulier werk moet wel houdbaar is.
Waarom het niet lukt om mensen in de bijstand aan het werk te krijgen
‘Er zijn jaren pogingen gedaan om mensen aan het werk te krijgen. Maar als je kijkt naar de effectiviteit, is het nettoresultaat negatief.’
Activering is een vanzelfsprekend onderdeel van de sociale zekerheid, vertelt bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer: ‘Wie een bijstandsuitkering ontvangt, moet niet alleen kunnen rekenen op inkomensondersteuning, maar wordt ook geacht zo snel mogelijk weer aan het werk te gaan. Gemeenten hebben daarin een belangrijke uitvoerende rol.’
Eisen aangescherpt
Die nadruk op werk is niet nieuw. Sinds de jaren tachtig zijn talloze maatregelen genomen om mensen vanuit een uitkering naar de arbeidsmarkt te begeleiden. Er kwamen loonkostensubsidies, Melkertbanen, instroom- en doorstroombanen, scholing, begeleiding en re-integratie. Tegelijkertijd werden uitkeringen en de uitkeringsduur op onderdelen beperkt en de eisen aangescherpt.
Naamswijzigingen
Ook de bijstand veranderde mee. In 2004 werd de Algemene Bijstandswet vervangen door de Wet Werk en Bijstand en in 2015 door de Participatiewet. ‘Met die naamswijzigingen werd telkens benadrukt dat activering en werk belangrijker moesten worden’, legt de Beer uit.
Negatief resultaat
Maar hebben die inspanningen ook gewerkt? Volgens De Beer valt daar behoorlijk wat op af te dingen: ‘Als mensen eenmaal in een bijstandsuitkering zitten, komen ze daar moeilijk weer uit.’ Voor deze groep ziet hij weinig bewijs dat de intensivering van het activeringsbeleid het gewenste effect heeft gehad. ‘Er zijn zoveel jaren zoveel pogingen gedaan om mensen aan het werk te krijgen. Maar als je kijkt naar de effectiviteit, is het nettoresultaat negatief.’
Misleidend
Dat terwijl op het eerste gezicht het bewijs voor succesvol activeringsbeleid overtuigend lijkt. De arbeidsparticipatie van 15- tot 75-jarigen is de afgelopen decennia immers flink gestegen: van 54 procent mid jaren tachtig naar 73 procent in 2024. Maar volgens De Beer is het misleidend om die stijging rechtstreeks toe te schrijven aan het beleid rond sociale zekerheid. ‘De groei kwam vooral doordat vanaf de jaren negentig meer vrouwen, jongeren en ouderen gingen werken’, zegt hij. De meeste vrouwen maakten bovendien geen aanspraak op sociale zekerheid. De groei van hun arbeidsdeelname had volgens De Beer vooral te maken met veranderende opvattingen over de rol van vrouwen en met het stijgende opleidingsniveau. ‘De sterke groei van deeltijdwerk maakte het bovendien gemakkelijker om betaald werk te combineren met huishouden en zorgtaken.’
Zelden een beroep op uitkering
Ook bij jongeren ziet De Beer een verklaring die weinig met activeringsbeleid te maken heeft. ‘Zij zijn meer gaan werken naast hun studie en doen sowieso zelden een beroep op een uitkering, simpelweg omdat ze daar bijna nooit voor in aanmerking komen.’
AOW
Bij ouderen ligt het anders. Hun hogere arbeidsdeelname hangt volgens De Beer vooral samen met het verdwijnen van VUT-regelingen en de verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013. ‘Dat heeft geleid tot hogere arbeidsdeelname’, zegt hij. ‘Maar ook daar gaat het vooral om mensen die langer aan het werk zijn gebleven en dus niet zijn uitgestroomd van bijstand naar werk.’
Arbeidseconoom Paul de Beer is bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is tevens verbonden aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies - Hugo Sinzheimer Instituut was directeur van het Wetenschappelijk Bureau voor de Vakbeweging, dat zijn leerstoel financierde. Voor het eind juli verschenen boek De staat van de sociale zekerheid in Nederland schreef De Beer een hoofdstuk over de balans van veertig jaar hervormingen in de sociale zekerheid.
Nadruk op activering
Kijk je specifiek naar de bijstand, dan wordt het beeld volgens wetenschapper een stuk somberder. Voor de periode 2002 tot en met 2017 laten de cijfers zien dat tussen de 6 en 13 procent van de bijstandsgerechtigden binnen een jaar uitstroomde naar werk, afhankelijk van de economische conjunctuur. Van een structurele stijging was geen sprake. Nog duidelijker is de ontwikkeling van de totale uitstroom uit de bijstand. Rond 2000 stroomde jaarlijks ongeveer 30 procent van de bijstandsgerechtigden uit. In 2024 was dat nog 15 procent. Dat is opmerkelijk, omdat volgens De Beer juist in diezelfde periode de nadruk op activering steeds groter werd.
Bemoeilijken
De bijzonder hoogleraar waakt er wel voor om daaruit een rechtstreeks oorzakelijk verband te trekken: ‘Ik zeg niet dat de verminderde uitstroom uit de bijstand komt door een strenger bijstandsregime. De samenstelling van de groep kan bijvoorbeeld zijn veranderd. Als er relatief meer ouderen in de bijstand zitten, kan dat de uitstroom naar werk bemoeilijken.’ Maar dat is volgens hem geen reden om de ontwikkeling weg te verklaren. ‘De uitstroom is niet afgenomen door die maatregelen, maar die maatregelen hebben evenmin kunnen voorkomen dat de uitstroom is gedaald, terwijl dat wel de bedoeling was.’
De Beer noemt wel twee mogelijke verklaringen.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.