Hoeveel vertrouwen wethouders hebben in jeugdzorgprofessionals en hoeveel belang zij hechten aan professionele handelingsruimte, kan behoorlijk verschillen. Dat blijkt uit onderzoek van bestuurskundigen van de Universiteit Leiden.
Vertrouwen in jeugdzorgprofessionals verschilt per wethouder
Ook over wat zij onder ‘grip’ verstaan, lopen de opvattingen van lokale bestuurders uiteen
Wethouders spelen een sleutelrol in de organisatie van de jeugdhulp. Zij bepalen de koers, contracteren zorgaanbieders, verbinden jeugdzorg met andere beleidsterreinen zoals onderwijs en veiligheid en leggen verantwoording af aan de gemeenteraad over kwaliteit, toegankelijkheid en uitgaven.
In de dagelijkse praktijk zijn het echter jeugdzorgprofessionals die veel beslissingen nemen over welke ondersteuning passend is. De vraag is daarom hoe wethouders vanuit hun positie voorwaarden creëren waarin professionals de ruimte hebben om responsief te handelen, zonder de uitvoering dicht te regelen met regels en procedures. Universitair docenten Lianne Visser, Bernard Bernards en Eduard Schmidt van het Instituut Bestuurskunde van de Universiteit Leiden onderzochten hoe wethouders hun rol zien en hoe zij hun relatie met professionals in de jeugdzorg vormgeven. Daarvoor deden zij een intensieve vorm van kwalitatief onderzoek waarbij vijf wethouders gedurende ongeveer 120 uur werden gevolgd tijdens hun dagelijkse werkzaamheden.
Daarnaast voerden de onderzoekers informele gesprekken met wethouders, politiek adviseurs, beleidsadviseurs, managers en professionals. Ook interviewden zij twintig wethouders uit gemeenten die verschilden in omvang, politieke kleur en samenstelling. In totaal spraken de wetenschappers dus met 25 wethouders.
Dichttimmeren
De universitair docenten verwachtten vooraf dat wethouders zouden worstelen met een fundamentele spanning: enerzijds professionals veel ruimte geven om hun werk te doen, anderzijds verantwoording moeten afleggen aan de gemeenteraad. Hoe verantwoord je je over iets dat je bewust niet dichttimmert met regels?
Verschil in sturen
Die spanning bleek in de praktijk echter nauwelijks zichtbaar. ‘De meeste wethouders spraken juist over een goede samenwerking met de raad. Daar zat die spanning eigenlijk niet’, aldus Visser. ‘Wat we wél zagen, waren duidelijke verschillen in de manier waarop wethouders sturen en hoeveel ruimte zij creëren voor professionals.’
Daadwerkelijk nodig
Op basis van het onderzoek onderscheiden de wetenschappers vier dimensies waarop wethouders verschillen in hun rolinvulling. Die keuzes hangen volgens hen samen met de ruimte voor responsieve jeugdzorg: zorg die aansluit bij wat kinderen, jongeren en gezinnen daadwerkelijk nodig hebben.
Vertrouwen
Allereerst verschillen wethouders in het vertrouwen dat zij hebben in professionals en in het belang dat zij hechten aan professionele handelingsruimte. Sommigen vinden vooral dat professionals hun werk zelfstandig moeten kunnen doen. Anderen benadrukken dat ruimte hand in hand moet gaan met gezamenlijke richting en reflectie. ‘In de basis zegt iedere wethouder dat vertrouwen belangrijk is’, stelt Visser. ‘Maar als je doorvraagt hoe dat eruitziet, ontstaan de verschillen. Vrijwel iedereen vindt dat professionals veel kennis hebben en ruimte nodig hebben. Tegelijkertijd zeggen de meesten ook dat zij een visie en richting nodig hebben.’
Stip op de horizon
Volgens Visser lopen de opvattingen vervolgens uiteen. ‘Sommige wethouders zeggen: professionals zullen uit zichzelf niet veranderen, dus als we verandering willen, moeten wij die inzetten. Andere wethouders hebben juist meer vertrouwen dat professionals zelf kunnen bijdragen aan vernieuwing en ook de stip op de horizon kunnen bepalen.’
Ingrijpen
Een tweede verschil zit in de mate waarin wethouders investeren in kennis van de uitvoering en het bredere jeugdzorgstelsel. Wie de praktijk goed kent, kan volgens de bestuurskundigen gerichter knelpunten wegnemen. Visser: ‘Een kleine groep wethouders gaf aan eigenlijk geen grip te hebben op de jeugdhulp. Dat hing vaak samen met beperkte kennis van hoe het systeem werkt. Het is ook een ontzettend complex stelsel. Deze wethouders grepen minder vaak in.’
New Public Management
Veel andere wethouders besteedden juist veel tijd aan het leren kennen van de jeugdzorg. ‘Velen vertelden dat het eerste jaar vooral in het teken stond van begrijpen hoe het systeem werkt. Ze bezochten organisaties, lieten zich uitgebreid informeren door beleidsadviseurs en gingen daarna veel gerichter sturen.’ Dat beeld past volgens Visser niet bij het klassieke idee van het New Public Management, waarin bestuurders zich vooral richten op resultaten en minder op de uitvoering. ‘Juist wethouders willen het jeugdzorgstelsel echt begrijpen.’
Grip
Ook verschillen wethouders in wat zij verstaan onder ‘grip’. Voor sommigen draait dat vooral om financiën en procedures. Anderen zien grip juist als het vasthouden aan de bedoeling van de jeugdzorg. ‘Een groep zei letterlijk: grip is niet zo belangrijk, het gaat erom hoe je grip definieert’, vertelt Visser. ‘Voor hen betekent grip dat ze het gevoel hebben het goede te doen, dat professionals meegaan in de gewenste ontwikkeling, ook als de financiën nog niet volledig onder controle zijn.’ Andere wethouders koppelen grip juist nadrukkelijk aan dalende kosten of aan beter zicht op prestaties. ‘En een deel zei eerlijk: ik heb helemaal geen grip. Niet financieel, maar ook niet inhoudelijk. Opvallend was dat juist bij die groep de kennis van het systeem vaak beperkt bleef.’
Faciliteren
Tot slot verschillen wethouders in de manier waarop zij veranderingen proberen door te voeren. Sommigen sturen vooral vanuit signalen uit de praktijk en zoeken actief contact met professionals. Anderen vertrekken juist vanuit bestuurlijke doelen en beleidsagenda’s. ‘Bij sommige wethouders zagen we dat ideeën uit de uitvoering zelf de basis vormden voor veranderingen. Zij faciliteren wat professionals aangeven nodig te hebben’, zegt Visser.
Bottom-up
Andere wethouders sturen meer vanuit landelijke ontwikkelingen, zoals de Hervormingsagenda Jeugd. ‘Zij zeggen bijvoorbeeld: we willen meer collectieve voorzieningen, hoe gaan jullie dat realiseren? Hun vertrekpunt zijn de beleidsdoelen. Bottom-up georiënteerde wethouders gaan juist vaker langs bij aanbieders om te horen wat er speelt en kijken hoe zij het stelsel met kleine aanpassingen kunnen verbeteren.’
Causaal verband
Of één bestuursstijl leidt tot betere jeugdzorg, kunnen de onderzoekers niet zeggen. ‘Daarvoor zouden we eerst moeten vaststellen waar de jeugdzorg daadwerkelijk beter functioneert en vervolgens moeten aantonen dat dit het gevolg is van de bestuursstijl van de wethouder. Zo’n causaal verband is ontzettend moeilijk te onderzoeken.’ Wel ziet Visser duidelijke lessen voor de praktijk: ‘Wie grip wil krijgen op de jeugdzorg, moet zich vanaf dag één verdiepen in het complexe stelsel. Dat kost tijd, maar het loont. En wie het systeem goed begrijpt, zal ook vaker de praktijk opzoeken om op te halen wat beter kan.’
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.