De invoering van een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo is met een jaar uitgesteld en gaat op z’n vroegst in op 1 januari 2028. Door deze vertraging lopen gemeenten in 2027 een eenmalige besparing van 266 miljoen euro mis. Daar staat tegenover dat in datzelfde jaar 35 miljoen euro aan gereserveerde uitvoeringskosten vrijkomt.
Inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wmo uitgesteld naar 2028
In het coalitieakkoord is afgesproken dat huishoudelijke hulp als Wmo-maatwerkvoorziening met ingang van 1 januari 2029 wordt geschrapt
Dat staat in de Voorjaarsnota die het kabinet afgelopen vrijdag naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Voor de invoering van deze nieuwe eigen bijdrage is vanaf 2028 jaarlijks 35 miljoen euro aan niet-bestemd uitvoeringsbudget gereserveerd. Hiervan wordt structureel 15 miljoen euro ingezet voor ‘andere problematiek’ op de begroting van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Huishoudelijke hulp schrappen
In het coalitieakkoord is afgesproken dat huishoudelijke hulp als Wmo-maatwerkvoorziening met ingang van 1 januari 2029 wordt geschrapt. Mensen die dat kunnen, gaan dus zelf betalen voor hun hulp. Gemeenten blijven verantwoordelijk voor ondersteuning van inwoners die dat niet kunnen. De coalitiepartijen verwachten dat deze maatregel vanaf 2029 een bezuiniging van 435 miljoen euro oplevert.
Wat het schrappen betekent voor de maandelijkse lasten van gebruikers, kan de regering nog niet zeggen. Wat verder opvalt: volgens het kabinet is de beoogde besparing op huishoudelijke hulp ‘additioneel’ aan de opbrengst van de invoering van een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo. De twee maatregelen worden dus allebei ingevoerd.
Aparte financiering Wmo
Eerder hadden het rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) afgesproken dat in de toekomst (een nader te bepalen deel) van de Wmo niet langer via de algemene uitkering van het gemeentefonds gaat, maar via een aparte financiering. Afhankelijk van de gekozen bekostigingsvorm wordt een ‘passende geobjectiveerde indexering’ onderzocht die ook rekening houdt met de kostenontwikkeling en demografische veranderingen, zoals vergrijzing. In afwachting van deze uitwerking is een oplopende reeks middelen gereserveerd voor aanvullende indexering: van 75 miljoen euro vanaf 2026 tot 450 miljoen euro in 2031. De eerste tranche van 75 miljoen euro wordt in 2026 aan het gemeentefonds toegevoegd.

Reacties: 1
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.
De totstandkoming van de Wetgeving Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) had o.m. een nauwe relatie met het opheffen van de bejaardencentra. Het sluitstuk na 'een zo lang mogelijk thuis wonen/leven' vormde het realiseren van verpleegcentra.
Inmiddels dreigt -mede vanwege de aankomende vergrijzingsgolf- de bekostiging van beide onderdelen te duur te worden. Bij de WMO is de huishoudelijke hulp vooral de bottelnek en het tekort aan verpleegcentra lijkt/is vooral een gevolg van het ten onrechte leunen van de Rijksoverheid op privatiseringsmogelijkheden, mismanagement en personeelstekorten.
Een gegeven is inmiddels wel dat regelmatig burgers met een urgentie 6 veel te lang in ziekenhuizen moeten verblijven alvorens er plek is in een verpleegcentrum. Als outsider vraag je dan af hoe de totale bekostiging dan verloopt. De kans is namelijk levensgroot dat hier twee geldstromen door elkaar (gaan) lopen, namelijk die van de zorgverzekering (veel te lang en flexibel verblijf in ziekenhuis) en die van de Wet langdurige zorg (opname in verpleegcentrum). Kortom hoogste tijd om de werking van beide onderdelen in het zorgdomein eens goed tegen het licht te houden, in het bijzonder ook de bekostiging daarvan in relatie met de beoogde geldstromen.