De betaalbaarheid van corporatiewoningen is in 2024 licht verbeterd. Tegelijkertijd nam het aantal huishoudens met een betaalrisico toe. Bij deze groep is het inkomen niet toereikend om de noodzakelijk geachte uitgaven voor levensonderhoud te betalen. Dat blijkt uit de nieuwste cijfers van de Lokale Monitor Wonen, met 31 december 2024 als peildatum.
Corporatiewoning iets betaalbaarder, maar betaalrisico neemt toe
De woonlasten tussen groepen corporatiehuurders verschillen sterk
De gemiddelde netto huurquote – het deel van het besteedbaar inkomen dat wordt uitgegeven aan de netto huur – daalde van 18,7 procent naar 18,4 procent. De gemiddelde woonquote, waarin ook de overige woonlasten meetellen, ging van 27,7 procent naar 27,2 procent. Weliswaar nam de gemiddelde huur in 2024 toe, maar daar stond tegenover dat huishoudens meer huurtoeslag ontvingen en de inkomens stegen. De gemiddelde energielasten van corporatiehuurders bleven ongeveer gelijk.
Betaalrisico
Tegenover de lichte verbetering van de gemiddelde betaalbaarheid staat een opvallende stijging van het aantal huishoudens met een betaalrisico. Dat aandeel liep op van 3,3 procent in 2023 naar 4,9 procent in 2024, een toename van bijna 50 procent. Het gaat om huishoudens die onvoldoende inkomen hebben om hun huur, overige woonlasten en andere noodzakelijke uitgaven te betalen.
Energietoeslag
De stijging komt vooral doordat de energietoeslag voor de laagste inkomens in 2024 wegviel. Toch ligt het aandeel huishoudens met een betaalrisico nog altijd lager dan enkele jaren geleden. Inkomensstijgingen, de verduurzaming van woningen en hogere huurtoeslagen droegen daaraan bij. Ook de huurbevriezing in 2021 en de eenmalige huurverlaging in 2023 hadden een positief effect op de betaalbaarheid.
Huurprijsklassen
De cijfers laten bovendien zien dat de woonlasten sterk verschillen tussen groepen corporatiehuurders. Zo geven alleenstaanden tot de AOW-leeftijd ongeveer 32 procent van hun besteedbaar inkomen uit aan de totale woonlasten. Bij stellen met kinderen is dat zo’n 20 procent. Ook tussen inkomensgroepen zijn de verschillen groot: huurders die behoren tot de 20 procent laagste inkomens van Nederland zijn gemiddeld ruim 32 procent van hun inkomen kwijt aan woonlasten, terwijl dat bij de hoogste inkomens 14 procent is.
Private sector
De monitor bevat dit jaar ook cijfers over de private huursector. De gemiddelde kale huur in de private sector bedroeg eind 2024 naar schatting 1.075 euro per maand. In gemeenten in het westen en midden van het land liggen de gemiddelde huurprijzen duidelijk hoger dan in andere regio’s. Omdat voor een groot deel van de particuliere huurwoningen geen geregistreerde huurprijs beschikbaar is, zijn deze cijfers geschat op basis van onder meer het WoonOnderzoek Nederland 2024, de CBS Huurenquête en de Woonbase.
Hogere lasten
Private huurders zijn bovendien een groter deel van hun inkomen kwijt aan wonen. Gemiddeld gaat 37,2 procent van het besteedbaar inkomen op aan de totale woonlasten. Dat is aanzienlijk meer dan in de corporatiesector, al was ook hier sprake van een lichte daling ten opzichte van 2023.
Weinig doorstroom
De monitor laat daarnaast zien dat er weinig verandering zit in de doorstroming op de woningmarkt. In de corporatiesector kwam 7,3 procent van de woningen in 2024 vrij voor een nieuwe bewoner, ongeveer evenveel als een jaar eerder. In de koopsector nam de relatief lage mutatiegraad heel licht toe, tot 4,5 procent.
Stagnatie
Er zijn wel duidelijke verschillen tussen gemeenten. In de corporatiesector ligt de gemiddelde mutatiegraad in het noorden en oosten van het land hoger dan in het westen en midden. Bij private huurwoningen daalde de mutatiegraad, van 18,1 procent naar 17,2 procent in 2024. Volgens de monitor hangt die daling samen met de stagnerende doorstroming op de woningmarkt.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.