Om milieudelicten effectiever aan te pakken, moet de financiële positie van de overtreder meer in ogenschouw worden genomen. Ook wordt nog te vaak de ‘standaardroute’ van een geldboete gekozen, concludeert het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC), een samenwerkingsverband van de Universiteit Utrecht en de Universiteit Leiden.
Scherpere sancties nodig bij milieudelicten
Bij strafrechtelijke sancties inzake milieudelicten kan nog veel meer worden gekeken naar de aard van de overtreder.
Effectiviteit
Het harder aanpakken van milieucriminaliteit was een van de tien aanbevelingen in het uit 2021 stammende rapport Om de leefomgeving. Omgevingsdiensten als gangmaker voor het bestuur van een commissie onder leiding van Jozias van Aartsen. Een groep wetenschappers heeft zich nu gebogen over de effectiviteit van strafrechtelijke sancties bij ernstige milieudelicten. Deze week stuurde demissionair minister Van Oosten (Justitie en Veiligheid) het rapport naar de Kamer.
In verhouding
Het bepalen van sancties in reactie op (ernstige) milieudelicten kan beter door ‘zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de financiële positie van de rechtspersoon’, stelt de commissie. ‘Men vraagt zich daarbij hardop af of de hoogte van de geldboete dan wel in verhouding stond met de winst die is behaald en of er dan wel sprake kan zijn van vergelding.’ Ook zou te snel naar de ‘standaardroute’ van de geldboete worden gegrepen.
Capaciteit
‘Creatievere’ sancties vereisen echter veel denk- en uitzoekwerk, ziet de commissie. En die capaciteit is er niet. ‘Het versterken van de capaciteit is ook bij andere onderdelen in de keten van belang, aangezien bijvoorbeeld de kwaliteit en reikwijdte van het opsporingsonderzoek gevolgen kunnen hebben voor de sanctionering. (…) Bovendien zouden bij een grotere capaciteit de vaak lange doorlooptijden kunnen worden teruggedrongen.’
Na oplegging
Verder constateert het WODC dat nu niet lijkt te worden onderzocht wat er bij bedrijven gebeurt na oplegging van een sanctie ‘en hoe het gedrag van bijvoorbeeld een gesanctioneerde onderneming zich ontwikkelt’. Het OM zou ook beter kunnen bijhouden of de onderneming nieuwe strafbare feiten pleegt nadat de zaak is afgesloten. Daarvoor is wel vereist dat er een beter systeem van informatie-uitwisseling wordt ontwikkeld, ‘waarbij opsporingsambtenaren terugkoppeling ontvangen over processen-verbaal in milieustrafzaken.’
Administratieve aangelegenheid
Milieuwet- en regelgeving is relatief complex en technisch van aard, stelt het WODC vast. ‘Dat brengt bij minder ervaren professionals het risico met zich mee dat milieustrafzaken op een technische manier worden benaderd, waardoor het behaalde financiële voordeel en de aangerichte schade niet worden ingezien en de zaak wordt behandeld als een ‘administratieve’ aangelegenheid.’
Bijzondere opsporing
Sommige respondenten gaven in het onderzoek aan dat bij zware gevallen van milieucriminaliteit meer gebruik moet worden gemaakt van bijzondere opsporingsbevoegdheden. ‘Dat dit momenteel nauwelijks gebeurt, heeft onder meer te maken met de kleine omvang van de opsporingsdiensten in het milieudomein, de capaciteit die de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden kost en het feit dat voor inzet hiervan moet worden samengewerkt met andere opsporingsdiensten.
Omgevingsdienst
Ook geeft een van de respondenten aan dat er mogelijk meer mandaat moet komen bij de directeur van een omgevingsdienst. Het opleggen van mogelijke dwangsommen aan overtredende bedrijven heeft geen zin ‘wanneer bestuurders binnen provincies of gemeentes niet meewerken’. Ook Van Aartsen riep in Om de leefomgeving al op dat de positie van de directeur van een omgevingsdienst moet worden versterkt door 'verplicht mandaat'.

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.