Op 13 oktober 2026 verscheen het advies Toezicht met vertrouwen: toezicht en handhaving onder de Omgevingswet van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli). Het werd aangeboden aan de minister van VRO, de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer. Het bevat ook aanbevelingen voor de decentrale overheden (VNG, IPO, UvW), het bedrijfsleven (VNO-NCW, MKB-Nederland, LTO, brancheorganisaties) en uitvoeringsorganisaties (Omgevingsdienst NL en de omgevingsdiensten).
Alarm over toezicht en handhaving
Verrassend was het rapport van de Rli niet. Veel was al voorspeld.
Al eerder – zie De uitvoering aan zet, 2023 - bepleitte de Rli een radicale herwaardering van de uitvoering en een gelijkwaardige positie daarvan met beleid. Nu gaat de alarmbel af voor toezicht en handhaving.
Weliswaar bevat de Omgevingswet een stevig fundament om de grote opgaven in de leefomgeving aan te pakken, maar de praktijk werkt er (nog) niet goed mee. Daardoor staan toezicht en handhaving onder druk. De oplossing ligt dus slechts deels bij de toezichthoudende en handhavende organisaties.
Mis
Wat gaat er mis? Nieuwigheden, zoals het begrip ‘milieubelastende activiteit’ (mba), een groter accent op algemene regels met meer meld- en informatieplichten, meer ruimte voor bestuurlijke afweging en lokaal maatwerk, specifieke zorgplichten en het wegvallen van de onlosmakelijke samenhang bij vergunningaanvragen hebben geleid tot minder overzicht bij toezichthouders over de samenhang tussen activiteiten en hun milieurisico’s.
Zij hebben daardoor minder houvast bij de beoordeling daarvan. Ermee werken vraagt meer tijd, inspanning, capaciteit, wat er vaak niet is. De keerzijde van bestuurlijke afwegingsruimte en lokaal maatwerk is minder uniformiteit en onduidelijkheid. Daardoor is bijsturing achteraf nodig en neemt de kans op voldongen feiten of onomkeerbare gevolgen toe.
Uitvergroot
Stonden de randvoorwaarden voor toezicht en handhaving al onder druk: de Omgevingswet vergroot dat. De Rli ziet vijf kernoorzaken:
1. De fundamentele verschuiving van verantwoordelijkheden is onvoldoende begeleid – binnen de overheid, maar vooral richting bedrijven en burgers.
2. De gevolgen van werken in de geest van de Omgevingswet voor toezicht en handhaving zijn onvoldoende doordacht.
3. De stelselherziening valt samen met een groeiend aantal grote, complexe en (deels) onvoorziene opgaven in de leefomgeving en maatschappij.
4. De integratie van milieuregels in de nieuwe instrumenten verloopt moeizaam, met de omgevingsplannen als grootste opgave.
5. Het uitgangspunt van vertrouwen houdt onvoldoende rekening met verschillen in kundigheid en motivatie binnen de samenleving, zowel bij bedrijven als bij burgers.
Hier ligt een taak voor de overheid en voor initiatiefnemers (bedrijven en burgers). Zij zijn namelijk samen verantwoordelijk voor het realiseren van de doelen voor de fysieke leefomgeving.
De tijd van ontkennen, sussen en dralen is dus voorbij. Bezuinigen op toezicht en handhaving wordt expliciet afgeraden. Integendeel: er is nieuwe energie en een extra impuls nodig gericht op een betere samenwerking tussen alle relevante partijen.
Prioriteiten
Aanbevolen wordt een programmatische aanpak, omdat een business-as-usual-aanpak met kleine reparaties en aanpassingen vanuit bestaande structuren slechts tot voortzetting van bestaande werkwijzen zal leiden. Handhavers krijgen dan zaken niet rond en bedrijven gaan op de oude voet door. De samenwerking moet beter en meer structureel binnen de formele structuren worden geborgd. Betrokkenheid van het bedrijfsleven hierbij is essentieel. Het programma moet tijdelijk en beperkt van omvang zijn en door alle partijen samen, ook het bedrijfsleven, worden gefinancierd. Voorzitterschap hoort bij de minister van VRO.
Er zijn drie prioriteiten:
1. Ervoor zorgen dat bedrijven en burgers hun eigen verantwoordelijkheid voor de leefomgeving (de paradigmawisseling) daadwerkelijk kunnen dragen met steun van toezicht en handhaving.
2. Ervoor zorgen dat tijdig wordt herkend wanneer sprake is van ‘tenzij-situaties’ binnen het uitgangspunt ‘decentraal tenzij’.
3. Ervoor zorgen dat de kennis en expertise van toezicht en handhaving tijdig en gelijkwaardig worden betrokken in de beleidscyclus, zodat er uitvoerbare en handhaafbare wet- en regelgeving komen.
Er zijn afspraken nodig, onder andere over de invulling van de eigen verantwoordelijkheid van initiatiefnemers en de rollen en taken van elke partij. Het gaat hierbij om afstemming per sector of branche en betere randvoorwaarden vanuit de overheid. Gedacht wordt aan gedragscodes, convenanten, beleidsregels, handreikingen of andere geschikte vormen.
De alarmbel
Bij de herijking van de decentralisatie gaat het om ondersteuning aan een uniformere uitwerking van lokaal maatwerk en om regels die zijn afgestemd op de geografische en bestuurlijke schaal waarop een probleem zich voordoet. Rijk en provincie kunnen daarbij meer sturen, bijvoorbeeld in de vorm van nieuwe regels en kaders die lokaal verdere invulling krijgen. Essentieel is ook dat de praktijkkennis en signaalfunctie van de omgevingsdiensten vorm krijgen in een adviesrol over uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van beleid, met duidelijke werkafspraken hierover.
Verrassend was het rapport voor mij niet. In 2020 was ik eindredacteur van het boek van Annemiek Tubbing Toezicht en handhaving met de Omgevingswet. Daarin is veel hiervan voorspeld. Niettemin is het goed dat er nu zo’n uitvoerig en alarmerend rapport ligt. Hopelijk wordt de alarmbel gehoord.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.