Als deze column verschijnt heb ik drie nieuwe gemeenteraden geïnformeerd hoe zij ‘aan de knoppen van de Omgevingswet’ kunnen draaien. Met vier gemeenten heb ik de ‘doorimplementatie’ opgepakt. Dat is een minder beladen woord voor de door de wetgever beoogde cultuurverandering. Het gaat bij beide opdrachten over de vraag hoe de neuzen van raad, griffie, college, management en de rest van de organisatie in dezelfde richting kunnen komen te staan voor de beleidscyclus. Over dit ‘beleidshuis bouwen’ vertel ik inmiddels al tien jaar (!).
De komende raadsperiode is cruciaal
Hoe kunnen de neuzen van raad, griffie, college, management en de rest van de organisatie in dezelfde richting komen te staan?
Gemeenten hebben er last van bij de aanpak van het nieuwe omgevingsplan als hun omgevingsvisies te vaag zijn. Bovendien: gebiedsgerichte beleidsuitwerkingen zijn er niet veel en de inventarisaties van bestaand sectoraal beleid leveren een schrikbeeld op qua aantal, omvang, afstemming en uitvoerbaarheid. Je zult maar nieuw raadslid, beginnend ambtenaar of omgevingsplanjurist zijn. Het is goed dat de Omgevingswet deze ‘beleidschaos’ zichtbaar maakt. Maar het bestrijden ervan vraagt wel om leiderschap, van management en bestuursorganen.
De omgevingsvisies, met het integrale beleid op hoofdzaken voor de hele gemeente en de lange termijn, moeten worden uitgewerkt voor de korte termijn. Dat is een taak van het college. Vaak ontstaat dan de vraag of al het nieuwe beleid straks een omgevingsprogramma moet zijn. En zo niet, wat het dan wel is.
Ganzenborden
Een vage omgevingsvisie uitwerken, zal snel nieuw beleid inhouden en dus een verfijning zijn van de omgevingsvisie. Gemeenteraden die grip willen houden, sturen dan al snel aan op het (laten) maken van een nieuwe omgevingsvisie. Twee van de bovengenoemde gemeenten hebben daarvoor recent een ‘(ruimtelijk) toekomstperspectief’ vastgesteld. Dat is geen omgevingsvisie-aanpassing, want die volgt later. Maar wat is het dan wel? Ook proberen gemeenteraden het gevoel dat ze geen grip hebben te compenseren door de lijst voor bindend advies bij omgevingsvergunningen bopa uit te breiden. Begrijpelijk, maar dat moeten we niet hebben. Dat is geen leiderschap, maar ‘ganzenborden’: steeds weer terug naar start gaan en bijgevolg vertraging.
De focus leggen
Een gemeenteraad kan beter de focus leggen op het vervolg. Allereerst kan de raad zichzelf de vraag stellen of de inzichten voor de lange termijn uit de geldende omgevingsvisie zijn veranderd. Zo ja, dan is een nieuwe omgevingsvisie nodig. Zo nee – en dat zal vaak het geval zijn – is de vraag of die inzichten beter werkbaar moeten worden. Tekstueel kan de omgevingsvisie daarvoor worden ontdaan van overbodige informatie en worden aangescherpt op de wettelijke bedoeling ervan:
a. Benoemen van de te behouden en verbeteren kwaliteiten. Dat legt een basis voor omgevingswaarden in het nieuwe omgevingsplan en is een toetsingskader bij omgevingsvergunningen.
b. Concreter formuleren van de ambities en opgaven voor de lange termijn. Ook kan de gemeenteraad tekstueel met de ‘evalueerbaarheid’ aan de slag.
c. Vastleggen wat dit betekent voor gebieden en hoe daarop gestuurd wordt.
Een uitvoeringsparagraaf toevoegen kan duidelijkheid geven welke omgevingsprogramma’s gewenst zijn en hoe de omgevingsvisie zal worden geëvalueerd. Management en college kunnen dat vervolgens omzetten in een haalbare aanpak (planning en werkwijze) en die met de raad delen. Dat geeft rust en continuïteit in de organisatie.
Het politieke debat
Voor een omgevingsprogramma geldt verder dat hoe vroeger het politieke debat met de raad over de inhoud plaatsvindt, des te beter. De raad kan op basis hiervan alvast financiële middelen reserveren. Het college weet wat politiek haalbaar is. Het legt ook een basis voor de gesprekken bij de vroegtijdige participatie.
Het vraagt discipline van raad en college om af te komen van de beleidsovervloed van het verleden, nieuwe ‘beleidsoprispingen’ te structureren en duidelijkheid te geven over toetsingskaders. Daar hoort ook het inzicht bij dat alleen het juridisch regelen en op bevoegdheid focussen geen garantie is voor daadwerkelijk effect sorteren (doelmatigheid). De raad is bijvoorbeeld niet bevoegd om maatregelen in omgevingsprogramma’s op te nemen, maar kan deze wel, al dan niet financieel, faciliteren. Via die route kan de raad zijn controlerende rol pakken.
Raadsleden hebben hier hulp bij nodig van de griffie. Het gaat namelijk niet zozeer om vaststellen of weigeren, maar om informeel en politiek sturen op gezamenlijk te behalen doelen. Dat is een andere raadsbetrokkenheid dan de juridische betrokkenheid via een bindend advies, het (delegeren van het) wijzigen van het omgevingsplan, of uiten van wensen en bedenkingen. De gemeenteraad is weliswaar slechts deels bevoegd gezag, maar GAAT ER VIA DE BELEIDSCYCLUS ALTIJD OVER!
De griffie in positie
Samenvattend: de raad moet aan de slag met zijn controlerende rol, inclusief het organiseren van evaluatie. Hier is een wereld bij te winnen. Daarbij is het ook zaak de griffie in positie te brengen, bijvoorbeeld door deze deel uit te laten maken van een in te stellen ‘beleidskamer’, die regie houdt op de beleidscyclus.
Dan komt er de komende raadsperiode geen nieuwe omgevingsvisie, noch een nieuw omgevingsplan, maar is het wel een cruciale raadsperiode, omdat de raad zichzelf en de griffie heruitvindt.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.