Huishoudens in een huurwoning van een woningcorporatie zijn bijna een kwart procent van hun inkomen kwijt aan woonlasten. Voor huishoudens in een private huurwoning is dat 30 procent. Huishoudens in een eigen woning zijn relatief goedkoper uit: zij zijn net iets meer dan 16 procent van hun inkomen aan wonen kwijt.
Woonlasten huurders relatief gezien het hoogst
Starters blijken over het algemeen het meeste kwijt te zijn aan totale woonlasten als percentage van hun besteedbaar inkomen.
Woonquote
Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) op basis van nieuwe cijfers over 2024. Voor alle groepen liggen de percentages overigens iets lager dan in 2023.
Onder andere is door het CBS gekeken naar de zogeheten woonquote, de totale woonlasten als percentage van het besteedbaar inkomen. Dat blijkt vooral te verschillen tussen eigenaren en huurders.
Woonduur
Als er naar huishoudens met een woonduur van minder dan een jaar wordt gekeken, ligt de woonquote iets hoger, namelijk op 23,4 procent voor eigenaren, op 26,5 procent voor huurders van een woningcorporatie en op 33,5 procent voor huurders van een private huurwoning. De woonquote verschilt vooral tussen eigenaren met een woonduur van minder dan een jaar en eigenaren met een woonduur van enkele jaren.
In tegenstelling tot huurders, voor wie de huren vaak van jaar op jaar stijgen, hebben eigenaren vaak te maken met gelijkblijvende of dalende hypotheeklasten in combinatie met stijgende inkomens. Daardoor daalt de woonquote sneller.
Starters
Starters blijken over het algemeen het meeste kwijt te zijn aan totale woonlasten als percentage van hun besteedbaar inkomen. Hun woonquote is hoger dan die van doorstromers. Het verschil is het grootst onder eigenaren (26,3 procent voor starters, 22,9 procent voor doorstromers). Huishoudens waarvan alle leden van het huishouden starters zijn en in een private huurwoning wonen hebben met 35,1 procent de hoogste woonquote.
De cijfers komen uit de Woonbase, het woononderzoek op basis van integrale gegevensbronnen. De Woonbase is ontwikkeld door het CBS in samenwerking met het Binnenlandse Zaken.
Reacties: 2
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.
Een waarheid als een koe is:
er zijn de laatste 100 jaar altijd al kostenverschillen tussen huurders en eigenaren geweest.
in diezelfde eeuw was het in financieel opzicht ook niet voor iedereen mogelijk om een woning te kopen.
de mogelijkheid om een woning te kopen hangt vooral af van de financiële capaciteit van potentiële kopers.
het leefpatroon en het daarbij aanwezige uitgavenpatroon van starters is in die eeuw bovendien drastisch veranderd. Het hebben van 10% tot 25% aan eigen middelen voor de aankoop van een woning was bepaald niet ongebruikelijk.
de frequent aanwezige -soms hoge)- inflatie en de Overheid hebben de laatste 25 jaar gezorgd voor een drastische opschaling van de WOZ-waarden en dus de prijsontwikkeling. Dat heeft niet alleen effect gehad op de kostenontwikkeling van de woningbouw maar afgeleid daarvan ook op de hoogte van de huren. Afhankelijk van het inkomen kunnen huurders in aanmerking komen van huurtoeslag.
op de nieuwbouw van een woning in de sociale sector wordt al gauw minimaal E 150.000 tot E 175.000 per woning toegelegd door de andere deelnemers in een woningbouwproject (Overheid, eigenaren van andere woningen e.d.).
Het is daarom interessant om de financiële plaatjes onder de berekening(en) van het CBS eveneens te publiceren.