Dat Noord-Brabant een aantrekkelijke provincie voor ondermijnende criminaliteit is, mag geen verrassing zijn. Maar hoe staat het met de aanpak van ondermijning in Brabant? De interne weerbaarheid van de provincie lijkt grotendeels op orde, maar de borging kan beter. Ook het Bibob-beleid en de toepassing ervan is op orde en men zet actief in op de weerbaarheid van het buitengebied, maar de samenhang in de keten is onvoldoende en de effecten zijn beperkt zichtbaar.
Effect ondermijningsaanpak Noord-Brabant ‘beperkt zichtbaar’
De Zuidelijke Rekenkamer constateert dat de uitvoering van de aanpak voor een veiliger buitengebied in Noord-Brabant ‘kwetsbaar’ is.
Schadelijke effecten beperken
Dat blijkt uit een rapport van de Zuidelijke Rekenkamer in opdracht van Provinciale Staten van Noord-Brabant. De rekenkamer moest inzicht geven in manier waarop de provincie invulling geeft aan haar rol in de bestuurlijke aanpak van ondermijning en of de daarmee beoogde doelen worden bereikt. Ondermijnende criminaliteit manifesteert zich onder meer in drugslabs, dumping van drugsafval in wijken en het buitengebied tot afpersing en bedreiging van bestuurders. Die problematiek zal niet totaal verdwijnen, maar betrokken partijen kunnen schadelijke effecten wel beperkt proberen te houden.
Actualiseren gedragscode
De interne weerbaarheid van de provinciale organisatie blijkt grotendeels op orde, maar kan nog beter worden geborgd, stelt de rekenkamer vast. ‘De borging bevat een kwetsbaarheid, omdat de coördinatie binnen de organisatie grotendeels bij één medewerker ligt.’ De provincie gebruikt de ‘Brabantse norm weerbare overheid’ (met 56 richtlijnen) als leidraad voor bestuurlijke weerbaarheid en heeft die grotendeels geïmplementeerd, maar de invulling is nog niet volledig en het ontbreekt aan een integraal overzicht van de voortgang. Er zijn nog tien aandachtspunten, waaronder actualisatie van de gedragscode integriteit en het agressieprotocol. Deze moet de provincie in de eerste helft van 2026 invoeren.
Integraal overzicht nodig
Verder ontbreekt een integraal overzicht van de voortgang van de implementatie, maar dat was een bewuste keuze, omdat de Brabantse norm een ‘handreiking’ is en niet een verantwoordingsinstrument. Daarom heeft de rekenkamer zelf een overzicht gemaakt. Dat is ook nodig voor de borging van het basisniveau en ook voor het waarmaken van de voorbeeldfunctie van de provincie. Het feit dat de coördinatie van de Brabantse norm bij één beleidsmedewerker ligt, maakt de borging kwetsbaar.
Wet Bibob goed toegepast
Over het Bibob-beleid en de toepassing ervan is de Zuidelijke Rekenkamer positief. Het provinciaal beleid sluit aan bij de uitgangspunten van zowel de Wet Bibob als de aandachtspunten uit de Brabantse norm. ‘De provincie benut de wet in de volle breedte en past deze in overeenstemming met haar beleid en werkafspraken risicogericht toe.’ De rekenkamer constateert dat verreweg de meeste onderzoeken geen bijzonderheden opleveren en leiden tot een positieve uitkomst. Door de ‘Harderwijk-uitspraak’ van de Raad van State over het sluiten van een drugspand vraagt de toepassing van de Wet Bibob wel steeds om een bestuurlijke afweging waarin maatwerk centraal staat. In de periode 2020 tot en met september 2025 zijn door de provincie in totaal ruim 1.300 Bibob-onderzoeken uitgevoerd. In deze periode waren bestuurlijke interventies niet nodig; er zijn nooit aanvragen geweigerd, ingetrokken of onder voorwaarden verleend.
De begrippen ‘ondermijning’ en ‘buitengebied’ worden binnen de provincie en tussen de betrokken partijen op uiteenlopende manieren gehanteerd
Begrippen onduidelijk
De Zuidelijke Rekenkamer constateert verder dat de uitvoering van de aanpak voor een veiliger buitengebied ‘kwetsbaar’ is. Zo worden de begrippen ‘ondermijning’ en ‘buitengebied’ binnen de provincie en tussen de betrokken partijen op uiteenlopende manieren gehanteerd. Ook is de doorwerking van de gezamenlijke aanpak met ketenpartners beperkt inzichtelijk. ‘Dit bemoeilijkt bijsturing, kan de motivatie van ketenpartners verminderen en beperkt PS in hun controlerende en sturende rol.’
Zwakke plekken
De keten vertoont ook zwakke plekken. Zo leiden verschillen in capaciteit en prioriteiten tot hiaten in de uitvoering, ‘waardoor signalen niet altijd worden opgepakt, resultaten achterblijven en de effectiviteit van het geheel wordt beperkt’. De rekenkamer beveelt onder meer aan om de monitoring van de doorwerking te verbeteren en Provinciale Staten in de jaarlijkse voortgangsrapportage ‘Uitvoeringsagenda Toekomstbestendig Bestuur’ concreet over voortgang en resultaten van alle thema’s buitengebied en interne weerbaarheid te informeren.
Problematiek niet veranderd
Ondanks de voortvarende aanpak van eerdere aandachtspunten door de provincie, zijn een aantal belangrijke knelpunten blijven bestaan. De onderliggende problematiek is niet wezenlijk veranderd. Rijksbeleid speelt hierbij een grote rol. De kwetsbaarheid voor ondermijning in het buitengebied blijft onverminderd groot. Boeren voelen zich steeds meer aan hun lot overgelaten. Concreet handelingsperspectief blijft vaak uit en dat is een belangrijk risico voor ondermijning, net als in 2022.
Tekort aan uitvoeringskracht
In dat jaar bleek ook dat kleine en middelgrote gemeenten met een tekort aan uitvoeringskracht kampen. De provincie zou ondersteuning kunnen bieden en heeft dat ook gedaan met kennis en collectieve ondersteuning, maar dat nam de structurele behoefte aan meer uitvoeringskracht bij de gemeenten niet weg. De provincie stelt dat ze niet is toegerust om deze structurele behoefte bij deze gemeenten te organiseren. Dit hangt samen met de eigen beperkte capaciteit én met de rolverdeling in het openbaar bestuur: gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor hun eigen uitvoeringskracht.
De provincie moet nadrukkelijker de structurele capaciteitsknelpunten bij politie en gemeenten en de negatieve uitwerking daarvan op de werking van de gehele keten agenderen bij het rijk
Agendeer knelpunten bij rijk
De Zuidelijke Rekenkamer beveelt onder meer aan om de actieve provinciale rol wel te handhaven, maar partners op structurele en aanbodgerichte wijze te ondersteunen. ‘Evalueer per thema of de inzet nog doelmatig en toereikend is en wees helder over provinciale keuzes en mogelijkheden.’ Dit dient de provincie ook te mee te nemen bij de voorbereiding van de uitvoeringsagenda voor de volgende bestuursperiode. Richting het rijk dient de provincie nadrukkelijker de structurele capaciteitsknelpunten bij politie en gemeenten en de negatieve uitwerking daarvan op de werking van de gehele keten te agenderen. Ook moet de provincie bij het rijk aandacht vragen voor duidelijke keuzes en kaders die handelingsperspectief bieden voor het buitengebied.
Geen knelpunten
In de bestuurlijke reactie zegt het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant bijna alle aanbevelingen over te nemen op twee na. Het gaat om de aanbeveling om de termen ‘ondermijning’ en ‘buitengebied’ te verhelderen en om de aanbeveling naar buiten toe meer helderheid te geven over de portefeuilleverdeling binnen het college tussen de cdk en de gedeputeerde Veiligheid. Op het eerste punt ziet het college geen knelpunten en daarbij is er altijd overleg, waardoor tot goede afstemming kan worden gekomen. De Rekenkamer denkt daar anders over. ‘Duidelijkheid over de inhoud en reikwijdte van het begrip ondermijning kunnen behoorlijk uiteenlopen. Voor effectieve en doelmatige agendering, prioritering en uitvoering is voldoende eenduidigheid hierover van belang.’
Voldoende helder
De portefeuilleverdeling vindt het college van GS ‘voldoende helder’, maar het zal zijn partners daar ‘op gepaste momenten’ op attenderen. Dat is ook nodig, aldus de Zuidelijke Rekenkamer. Die vindt overigens nog wel dat de provincie zich actiever kan opstellen ‘zonder dat wezenlijk aan de autonomie van andere partijen als de gemeenten hoeft te worden getornd’. ‘Denk daarbij aan het actiever benaderen en begeleiden van gemeenten waar de risico’s groot zijn en de eigen capaciteit beperkt is.’ Dat kan gaan om ondersteuning bij het benutten van beschikbare data, het bij elkaar brengen van partijen bij problematiek die de draagkracht van een individuele gemeente te boven gaat en gebruik kunnen maken van instrumenten die met provinciesteun zijn ontwikkeld.
Zwakke schakels
De rekenkamer vindt tot slot dat de provincie de aanpak voor 95 procent op orde heeft, maar er wel regelmatig moet worden gesproken over een meer vraaggerichte of een meer proactieve aanpak, want die keuze kan het verschil uitmaken tussen 95 en 100 procent gesloten zijn. ‘Die 5 procent verschil kan veel betekenis hebben in het tegengaan van ondermijnende criminaliteit door partijen die zwakke schakels feilloos weten te vinden.’

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.