Het moet voor huishoudens wel betaalbaar zijn. In die simpele zin schuilt het grote zorgpunt van de warmtetransitie. In de komende decennia gaan miljoenen huishoudens van het aardgas af, die voortaan hun warmte moeten krijgen dankzij een warmtenet of elektrische warmtepomp.
‘Met als gevolg GEEN betaalbaar aanbod aan bewoners’
Gemeenten maken zich zorgen over de rekenregels waarmee zij de betaalbaarheid van de warmtetransitie voor huishoudens moeten bewijzen.
Gemeenten mogen wijken gaan aanwijzen die na een overgangsperiode van acht jaar van het gas worden afgesloten. Dat mogen ze voor het eerst gaan doen in de warmteprogramma’s die ze uiterlijk eind 2027 klaar moeten hebben.
De voorwaarde is wel dat ze kunnen aantonen dat huishoudens hier financieel niet aan onderdoor gaan. Maar ook de nieuwe Regeling Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie stelt niet iedereen gerust. Dat blijkt uit de reacties in de consultatieperiode die net is afgelopen. De reacties zijn onder meer van de hand van gemeentekoepel G40, de Achterhoekse gemeente Berkelland, corporatiekoepel Aedes, Netbeheer Nederland, de Woonbond en Vereniging Eigen Huis.
De rekenregels
Deze regeling is zo belangrijk omdat ze de regels bevat waarmee gemeenten de ‘betaalbaarheid’ van de warmtetransitie mogen berekenen, op basis van onder meer het type woningen, de energielabels, inpandige aanpassingen, de wijksituatie, de verwachte energieprijzen en de vergelijking met de aloude aansluiting op het aardgasnet.
‘GEEN betaalbaar aanbod’
De G40, het netwerk van (middel)grote steden, is allesbehalve zorgeloos. Volgens de vereniging zijn de rekenregels zo gedetailleerd en strikt dat het voor gemeenten erg moeilijk wordt de ‘betaalbaarheid’ te bewijzen. En dt moet gedaan worden voor minstens 70 procent van de woningen in een wijk die van het aardgas af gaat. Lukt dat niet, dan mag een gemeente ook geen aanwijsbevoegdheid inzetten en blijft het aardgasnetwerk ter plekke in de grond. ‘Met als gevolg dat er GEEN betaalbaar aanbod aan bewoners gedaan kan worden’, schrijft de G40. ‘Dit baart ons ernstig zorgen.’
Ook Netbeheer Nederland, de koepel van netbeheerders, vreest dit: ‘Door de detaillering van de regels bestaat het risico dat de aanwijsbevoegdheid niet of nauwelijks wordt ingezet in Nederland doordat gemeenten niet kunnen voldoen aan deze regels’, staat in de reactie van de netbeheerders.
Het gemeentenetwerk G40 wil dat gemeenten meer inspraak krijgen in de totstandkoming van de rekenregels, en bovendien meer ruimte krijgen om mee te wegen dat de uitgangssituatie lokaal erg kan verschillen. Voordat de regeling een wet van Meden en Perzen wordt, wil de G40 dat er met hulp van lokale pilots wordt proefgedraaid met de rekenregels.
De rechter
Verder maakt de G40 zich zorgen over de maximaal 30 procent huishoudens per warmtetransitiewijk waarvoor de overgang niet betaalbaar mag blijken te zijn. De gemeentekoepel voelt zich juridisch kwetsbaar, en schrijft over deze wettelijke ruimte: ‘Dat zorgt ervoor dat enerzijds kwetsbare afnemers weinig beschermd zijn, en anderzijds dat we nooit op voorhand kunnen weten of de rechter mee zal gaan in onze redenatie dat we voldoende rekening hebben gehouden met kwetsbare afnemers’, aldus de consultatiereactie.
Ook de gemeente Berkelland voelt zich op dit punt niet zeker. ‘Juist voor deze groep ligt het voor de hand dat bezwaar- en beroepsprocedures kunnen ontstaan tegen een gebiedsaanwijzing’, schrijft de gemeente in een eigen reactie. ‘Onduidelijk is welk handelingsperspectief gemeenten hebben voor deze groep. Gemeenten kunnen geen inkomensbeleid voeren en beschikken niet over gegarandeerde financieringsinstrumenten of rijksmiddelen om betaalbaarheidstekorten structureel te overbruggen.’
Negatief
Tegelijkertijd vindt ook deze gemeente, net als de G40, dat de rekenregels voor ‘betaalbaarheid’ te strikt zijn. De methodiek gaat er bijvoorbeeld van uit dat huishoudens al het geld voor hun investeringen zullen moeten lenen, terwijl Berkelland denkt dat veel mensen ook de overwaarde op hun huis of het eigen vermogen zullen aanspreken. ‘Hierdoor kan de uitkomst van de betaalbaarheidstoets negatief worden beïnvloed en kan het [voor gemeenten] moeilijker worden om aan de 70 procents-norm te voldoen.’
Op hun beurt vinden corporatiekoepel Aedes en studentenhuisvester Kences dat de regeling te exclusief halt houdt bij de betaalbaarheid voor huishoudens. Zij willen ook aandacht voor de betaalbaarheid voor woningcorporaties, omdat zij de aanjagers van de warmtetransitie moeten worden. ‘Wanneer de investeringslasten en onrendabele top van corporaties buiten beeld blijven, ontstaat het risico dat de betaalbaarheid voor huurders te positief wordt ingeschat’, schrijven zij. Het rijk gaat er in hun ogen bijvoorbeeld te makkelijk van uit dat corporaties altijd subsidiegeld kunnen krijgen, terwijl subsidiepotjes leeg raken en -regelingen eindigen.
Vervangmoment
Veel belanghebbenden, waaronder ook Energie-Nederland, de branchevereniging voor energiebedrijven, vrezen dat de strikte regenregels een te negatief beeld van de betaalbaarheid kunnen schetsen. Andere partijen, zoals Vereniging Eigen Huis, vrezen het omgekeerde. Deze vereniging betoogt bijvoorbeeld dat het moment dat een woning van het aardgas afgaat niet een ‘natuurlijk vervangmoment’ hoeft te zijn. Dat kan betekenen dat een gasketel nog jaren mee kon en veel restwaarde heeft. Zo’n situatie zou ook onderdeel moeten zijn van ‘betaalbaarheid’.
Bovendien vindt de vereniging dat in de rekenregels een oneigenlijke vergelijking wordt gemaakt: tussen de investering in een wel heel erg dure HR-ketel op aardgas en een situatie met een warmtepomp of warmtenet. Dit basisscenario, waarin een huishouden op aardgas blijft maar op termijn moet investeren in een erg dure ketel, zou dus niet reëel zijn.
Route ‘niks doen’
De simpelste definitie van ‘betaalbaarheid’ is dat voor een huishouden de kosten van de investeringen over een langere periode niet hoger zijn dan de financiële baten ervan. Maar Energie-Nederland wil dat het rijk breder kijkt: als het nu eenmaal de politieke ambitie is om van het aardgas af te gaan, is het ongerijmd om de betaalbaarheid van de warmtetransitie te blijven vergelijken met de aloude verwarming door aardgas. ‘Een gas-gebaseerde referentie is dus naar 2050 toe niet wenselijk; anders blijft de route ‘niks doen’ en op aardgas blijven mogelijk te aantrekkelijk.’
Liever legt Energie-Nederland op tafel wat de branchevereniging ‘een politieke keuze’ noemt: voor welk percentage van de bevolking moet de warmtetransitie betaalbaar worden? Ook momenteel al, nu veel huizen met aardgas verwarmd worden, wordt ‘energiearmoede’ tot op bepaalde hoogte maatschappelijk geaccepteerd. Twee jaar geleden kampte 6,1 procent van de huishoudens hiermee. Hoe groot mag dit percentage volgens Den Haag zijn ná de warmtetransitie?
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.