De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft opnieuw geoordeeld over de vraag wanneer ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het bieden van hulp aan hun kinderen en wanneer gemeenten jeugdhulp moeten verstrekken. De uitspraak biedt gemeenten meer houvast bij het toepassen van het begrip ‘eigen kracht’, maar leidt volgens plaatsvervangend jeugd- en bestuursrechter Willie Elferink ook tot zorgen over de positie van ouders die langdurig intensieve zorg verlenen.
Zorgen over positie ouders na jeugdhulp-uitspraak CRvB
Het kan voor inwoners onbevredigend voelen wanneer regelgeving tijdens een lopende procedure verandert
De zaak draait om de gemeente Súdwest-Fryslân en de manier waarop deze gemeente de eigen mogelijkheden van ouders beoordeelt bij een aanvraag voor jeugdhulp. De CRvB oordeelde eerder, in drie uitspraken in mei 2024, dat gemeentelijke verordeningen voldoende duidelijk moeten maken hoe gemeenten omgaan met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van gezinnen. Hun zogenoemde ‘eigen kracht’. Gemeenten moeten daarbij onder meer aangeven welke betekenis zij geven aan de wettelijke ouderlijke zorg- en opvoedingsplicht en wanneer de eigen kracht niet meer toereikend is.
Nieuwe verordening
Volgens de CRvB voldeed de toenmalige verordening van Súdwest-Fryslân niet aan deze eisen. De gemeente paste daarop haar regelgeving aan en nam in 2025 een nieuwe verordening aan waarin uitgebreider werd vastgelegd hoe de eigen kracht van ouders moet worden beoordeeld. In de nieuwe verordening staat dat jeugdigen en ouders pas in aanmerking komen voor een individuele voorziening als zij geen oplossing kunnen vinden binnen hun eigen mogelijkheden. Daarbij wordt gekeken naar onder meer gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp, ondersteuning vanuit het sociale netwerk en eventuele aanvullende verzekeringen.
Redelijkerwijs
Bij gebruikelijke hulp gaat het om zorg en ondersteuning die volgens algemene opvattingen redelijkerwijs van ouders mag worden verwacht. De gemeente moet daarbij rekening houden met factoren zoals de leeftijd van het kind, de benodigde begeleiding, de duur en intensiteit van de hulp en de mogelijkheden van het gezin. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp; de gemeente verstrekt dan geen voorziening.
Daadwerkelijke zorg
Bij bovengebruikelijke hulp ligt de beoordeling ingewikkelder. Ook dan blijven ouders in beginsel verantwoordelijk, maar moet de gemeente onderzoeken of ouders deze zorg daadwerkelijk kunnen blijven leveren. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de belasting van ouders, hun vaardigheden, hun gezondheid, de voorspelbaarheid van de zorg en de gevolgen voor het dagelijks functioneren van het gezin.
Onvoldoende wettelijke basis
De procedure begon al in 2021. Ouders vroegen ondersteuning aan voor informele hulp die zij zelf aan hun kinderen boden. Het college wees de aanvraag af met het argument dat ouders, ondanks de intensieve zorg, deze hulp zelf konden blijven leveren. Na verschillende procedures kwam de zaak bij de CRvB terecht. Die vernietigde eerder het besluit omdat de gemeentelijke verordening onvoldoende wettelijke basis bood om de eigen kracht van ouders tegen te werpen.
Opnieuw afgewezen
Na aanpassing van de gemeentelijke regels nam het college opnieuw een besluit. Daarbij werd de nieuwe verordening toegepast. Ook dit keer werd de aanvraag afgewezen. De ouders stelden dat de nieuwe regels niet mochten worden toegepast op een procedure die al onder de oude regelgeving was gestart.
De CRvB oordeelde echter in juni dat de gemeente de nieuwe verordening wel mocht gebruiken. Volgens de hoogste bestuursrechter op het gebied van de sociale zekerheid had de nieuwe regeling onmiddellijke werking en waren er geen bijzondere omstandigheden waardoor toepassing ervan onevenredig zou uitpakken.
Rechtszekerheid
Willie Elferink, die als gepensioneerde af en toe fungeert als plaatsvervangend rechter bij de rechtbank Overijssel, stelt dat deze beslissing vragen oproept over de rechtszekerheid. Hij wijst erop dat de situatie voor ouders onbevredigend kan voelen wanneer regelgeving tijdens een lopende procedure verandert. ‘De gemeenteraad mag tijdens de wedstrijd dus de spelregels wijzigen’, schrijft Elferink in zijn analyse. Volgens hem is de motivering van de CRvB waarom dit in deze zaak niet onevenredig zou zijn beperkt onderbouwd.
Gunstiger
Elferink stelt dat de oude verordening mogelijk gunstiger was voor ouders, omdat daarin de eigen kracht niet een voldoende wettelijke basis was om hulp te weigeren. Als vaststaat dat kinderen meer dan 56 uur per week bovengebruikelijke hulp nodig hebben, zou volgens hem onder de oude situatie eerder aanleiding bestaan om een voorziening toe te kennen. Daarmee is de oude verordening dus gunstiger voor de ouders dan de nieuwe verordening.
Zorgvuldig beoordelen
De CRvB oordeelde vervolgens dat de aangepaste verordening van Súdwest-Fryslân wel voldoet aan de Jeugdwet. Volgens de Raad bevat de regeling voldoende criteria om de eigen mogelijkheden van gezinnen zorgvuldig te beoordelen. De CRvB keek daarna naar de concrete situatie van het gezin. Uit onderzoek van een externe deskundige bleek dat ouders gezamenlijk meer dan 56 uur per week bovengebruikelijke hulp boden aan hun drie kinderen. Volgens het onderzoek leidde dit echter niet tot problemen die maakten dat ouders deze hulp niet langer konden leveren. Daarom mocht de gemeente volgens de CRvB de aanvraag voor jeugdhulp afwijzen.
Zware belasting
Elferink plaatst vraagtekens bij de praktische gevolgen van de uitspraak. Hoewel de CRvB de afwijzing juridisch mogelijk acht, vraagt hij zich af of voldoende rekening wordt gehouden met de zware belasting voor ouders.
Bij meer dan 56 uur per week bovengebruikelijke hulp komt volgens hem ook nog de gebruikelijke ouderlijke zorg. Als ouders daarnaast werken of andere verantwoordelijkheden hebben, kan de totale belasting aanzienlijk zijn. Elferink licht het toe aan de hand van een rekensom: ‘Je hebt 168 uur per week, waarvan je er gemiddeld 56 slaapt. Dan blijven er 112 uur over. Daarvan gaat 56 uur op aan bovengebruikelijke hulp. Resteert 56 uur, waarvan naar schatting nog zo’n 20 uur aan gebruikelijke zorg wordt besteed. Dan blijven er ongeveer 36 uur per week over voor álle andere zaken: boodschappen doen, koken, administratie, het lezen van de krant en – niet onbelangrijk – werken.’
Te veel verwacht
De uitspraak maakt volgens hem duidelijk dat gemeenten veel ruimte krijgen om te beoordelen wat ouders zelf kunnen dragen en dat van de eigen verantwoordelijkheid van ouders erg veel wordt verwacht. ‘Te veel’, vindt Elferink.
Financiële mogelijkheden
Een punt waarover de uitspraak geen definitief antwoord geeft, is de vraag of de financiële situatie van ouders onderdeel vormt van de eigen kracht. De nieuwe gemeentelijke verordening noemt financiële omstandigheden als een factor bij de beoordeling van de bovengebruikelijke hulp. De CRvB laat echter in het midden of financiële mogelijkheden daadwerkelijk onderdeel zijn van het wettelijke begrip ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’.
Duidelijkheid
Volgens Elferink is dat een gemiste kans. Gemeenten en ouders hebben behoefte aan duidelijkheid over de vraag welke factoren precies mogen worden meegewogen. ‘De CRvB had die duidelijkheid hier kunnen verschaffen’, meent Elferink.
Verantwoordelijkheid
De uitspraak geeft gemeenten, met uitzondering van de financiële mogelijkheden, wel meer duidelijkheid over de eisen die aan hun jeugdhulpverordeningen worden gesteld. Andere gemeenten kunnen de uitspraak gebruiken bij het vormgeven van hun eigen regels. Voor gezinnen met kinderen die intensieve zorg nodig hebben, betekent de uitspraak echter dat de verantwoordelijkheid voor ondersteuning vaak bij ouders en hun netwerk blijft liggen. Ook wanneer de benodigde bovengebruikelijke hulp omvangrijk is.
Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.