Ergens in dat proces komt steevast de vraag op tafel: hoeveel programma’s krijgt de begroting? Vier? Zes? Tien? Of meer?
Niet het aantal programma’s, maar het effect telt
De gemeenteraadsverkiezingen naderen. Nieuwe coalities worden gevormd. Ambities worden opgeschreven.
Het lijkt een technische discussie. Dat is het niet. De vraag is: welke maatschappelijke effecten willen wij als raad op de lange termijn realiseren? Daar draait lokale politiek om. Het gaat om tastbare verandering in de samenleving. Een leefbare en biodiverse omgeving. Toekomstbestendige gebiedsontwikkelingen. Voldoende betaalbare woningen. Een sterke sociale basis.
Binnen een programma zou het daarom in de eerste plaats moeten gaan over de langetermijnambitie. Wat willen we over vier, tien of twintig jaar hebben bereikt? Die ambitie vertaal je naar concrete doelen. Die doelen naar activiteiten. En pas daarna volgt de vraag: welk budget hoort daarbij?
Zolang die lijn helder is – ambitie, doel, activiteit, budget – ligt daar de kern van de kaderstellende en controlerende rol van de raad.
Het is logisch om ambities die inhoudelijk samenhangen ook programmatisch te bundelen. Taakvelden of producten met wederzijdse afhankelijkheden horen bij voorkeur in hetzelfde programma. Zodra onduidelijk is wat men wil bereiken, ontstaat echter de reflex om beleid op te knippen: nog een (deel)programma, nog een apart hoofdstuk, nog een eigen budgetlijn. Het oogt overzichtelijk, maar bevordert verkokering. Een veelheid aan programma’s leidt tot een veelheid aan beleidskokers: economie apart, wonen apart, mobiliteit apart, duurzaamheid apart, groen apart, veiligheid apart. Terwijl maatschappelijke opgaven juist integraal zijn.
Gebiedsontwikkeling vraagt om samenhang tussen infrastructuur, woningbouw, klimaatadaptatie en leefbaarheid. Een duurzame leefomgeving verbindt ecologie, economie en sociale samenhang. Wanneer deze onderwerpen in afzonderlijke programma’s zijn ondergebracht, wordt een integrale afweging ingewikkeld en versnipperd.
Wie begint bij langetermijneffecten, krijgt echte sturing
Een beperkt aantal programma’s kan daarom juist helpen. Niet omdat minder per definitie beter is, maar omdat bredere programma’s het gesprek dwingen over samenhang en maatschappelijke effecten – inclusief de samenhangende effecten van bezuinigingen.
Dat vraagt wel duidelijke randvoorwaarden. Het budgetrecht van de raad moet via de financiële verordening geborgd blijven. Investeringskredieten worden afzonderlijk vastgesteld. Scopewijzigingen vragen om expliciete besluitvorming. Budgetdiscipline wordt bewaakt, zowel op programmaniveau als op investeringsniveau. En voor specifieke projecten kan de raad aanvullende spelregels vaststellen.
Meer inzicht in de samenstelling van lasten helpt eveneens. 'Totale lasten per programma' zeggen weinig. Zo maakt een enkele gemeente – zoals Gulpen-Wittem – zichtbaar hoe de lasten zijn opgebouwd uit personele lasten, kapitaallasten en overige uitgaven. Zo ziet de raad al beter waar geld naartoe gaat en in hoeverre het beïnvloedbaar is.
Voeg daar enkele scherpe effectindicatoren met trendlijnen en streefwaarden aan toe en het debat wordt wezenlijk sterker. Zijn we op koers? Draagt beleid daadwerkelijk bij aan het beoogde effect? Moeten we bijsturen? En voeren we structureel onderzoek uit naar doeltreffendheid en doelmatigheid – conform artikel 213a – of laten we die verplichting vooral op papier bestaan?
Het echte stuurinstrument zit niet in het aantal programma’s, maar in de kwaliteit van ambities, doelen en indicatoren. Het gaat om het realiseren van maatschappelijke effecten. Een compacte begroting met heldere ambities, concrete doelen en een verband met de budgetten geeft politieke scherpte. Wie begint bij langetermijneffecten, krijgt echte sturing. En dát is waarvoor een nieuwe gemeenteraad is gekozen.

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.