Gemeenten zien Europa vooral als een aanvullende bron voor het verwerven van fondsen en subsidies. Om echt van Europese samenwerking te kunnen profiteren, moeten gemeenten eerst het bewustzijn daarover in de eigen organisatie versterken en werken aan een eigen Europese strategie, vinden Pieter Jeroense en Mendeltje van Keulen. In dit essay geven ze alvast een voorzet.
Essay: ‘Europa verdient meer aandacht van gemeenten’
Het Europabewustzijn binnen de gemeentelijke en provinciale organisaties is nog verre van Europaproof.
Veel gemeenten vinden de weg naar Brussel, dat is een belangrijke stap. Maar er is nog veel te doen op het gebied van Europees organiseren en interbestuurlijk leren en samenwerken.
Gemeenten, provincies, regio’s en stedennetwerken zijn al decennialang een vast gezicht op het Europese toneel. We spreken in de wetenschap van Europeanisering als het gaat om de wisselwerking tussen Europese Unie en decentrale overheden. Die wisselwerking kent meerdere routes. In de eerste plaats staan gemeenten aan de lat voor de implementatie van Europese wet- en regelgeving in de lokale realiteit. Vanaf de jaren negentig was dat vooral gericht op het milieu- en aanbestedingsrecht, maar het breidde zich snel uit naar andere onderwerpen, zoals digitalisering, privacy, water- en bodemkwaliteit of afvalbeheer. Veel gemeentelijke actie, wet- en regelgeving heeft een Europees tintje gekregen. Soms komt beleid rechtstreeks uit Brussel, soms met een tussenstap via de nationale overheid.
Fondsen en subsidies
In de tweede plaats proberen gemeenten Europese fondsen en subsidies te verwerven. Ze zijn een welkome aanvulling op de gemeentelijke begroting en een belangrijke motivatie om met Europa aan de slag te gaan. In de derde plaats zijn er in Brussel veel informele kennisnetwerken, waarin met andere Europese gemeenten of regio’s op inhoudelijke onderwerpen kan worden samengewerkt, waarin belangen worden behartigd of kennis wordt uitgewisseld.
Binnen de groep gemeentebestuurders die actief zijn in Brussel zijn er grote verschillen. Variërend van de bestuurders die één keer per jaar naar de Europese Week komen tot de groep enthousiaste aanjagers van de zogeheten comitédelegatie: de twaalf wethouders en gedeputeerden die de Nederlandse gemeenten en provincies in Brussel vertegenwoordigen in het Comité van de Regio’s. Dat is een onderschat adviesorgaan van de Europese Unie, waarin Nederlanders kunnen rapporteren over bijzonder relevante aankomende Commissievoorstellen. Vooruitzien is immers veel beter dan verrast worden.
Nabijheid
De gemeente Den Haag presenteerde onlangs de nieuwe Europastrategie. Daarin herkennen we de hierboven genoemde doelstellingen: het behartigen van de belangen op Europees niveau, het toegang krijgen tot en het verwerven van fondsen en het uitwisselen van kennis op Europees niveau. Daarnaast noemt Den Haag ook het vergroten van het EU-bewustzijn in de interne organisatie en het positioneren van en Haag in het Europese speelveld.
Voor de meeste Nederlandse gemeenten met een Europese strategie – en die hebben ze lang niet allemaal – geldt dat ze het verwerven van fondsen en subsidies zien als de belangrijkste driver voor hun activiteiten en het ‘Europees werken’. Nabijheid bij de beleidsmakers die de (toekomstige) regels en fondsen vormgeven is de reden voor gemeenten om zich in Brussel te vestigen. Daarom is Den Haag, net als de VNG, IPO, de andere G4-gemeenten en diverse gemeentelijke samenwerkingsverbanden, met een eigen vertegenwoordiging aanwezig in Brussel. En tot voor kort leverde Den Haag ook één van de leden van de Comité van de Regio’s; voormalig wethouder en nu D66-Kamerlid Robert van Asten.
Eén doelstelling in de strategie van Den Haag valt op, namelijk het vergroten van het EU-bewustzijn in de interne organisatie. Hoewel we de praktijk zien floreren, is het Europabewustzijn binnen de gemeentelijke en provinciale organisaties nog verre van Europaproof. Guderjan & Verhelst ontwikkelden een ‘ladder van Europeanisering’: van minimale betrokkenheid (naleven) tot maximale betrokkenheid (actief de boer op). Veel
lokale overheden staan op de laagste sporten: ze implementeren EU-wetgeving op het moment dat die omgezet is in Nederlands recht en zij daarvoor een aanwijzing krijgen vanuit Den Haag.
Vervolgstap
Een vergelijkbare conclusie komt naar voren uit een verkenning in opdracht van VNG en IPO uit 2023. De helft van de gemeenten heeft nauwelijks capaciteit beschikbaar voor Europees werk, laat staan een strategie. Bij de kleine gemeenten is de formatie veelal beperkt tot één aanspreekpunt. Middelgrote en grote gemeenten hebben hun internationale beleid geïnstitutionaliseerd. Alleen de grootste gemeenten hebben een eigen Europateam, aangevuld met een vertegenwoordiging in Brussel. Maar met het beleggen van de taken zijn ze er nog niet, zoals de gemeente Den Haag zelf ook inziet. De vervolgstap is het uitvoeren van een eigen strategie, in combinatie met het vergroten van het Europabewustzijn in de organisatie. Wij zien in onze praktijk dat veel gemeenten daar nog niet aan toekomen en dat Europa nog weinig weerklank vindt in de rest van de organisatie.
Binnenhalen
In onze praktijk zien we dat de neiging bestaat om direct te beginnen met het binnenhalen van fondsen, terwijl juist de samenhang met de beleidsafdelingen, de maatschappelijke opgaven en de bestuurlijke betrokkenheid van belang is. Het aanbrengen van samenhang in strategie en wijze van organiseren is essentieel.
Voor een gemeente van de omvang van Den Haag zijn dit soort stappen wel te zetten. Zoals uit de hierboven genoemde onderzoeken blijkt, ontbreekt het vooral kleine(re) gemeenten aan capaciteit om tot een Europese strategie te komen. Dan zijn er de hulptroepen. Zo is er het Kenniscentrum Europa Decentraal (KED), mede opgericht door de koepels VNG, IPO en UvW met het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast heeft de VNG een Europateam, dat zich vooral richt op de belangenbehartiging. Een andere voor de hand liggende stap is het bundelen van krachten in de regio, zoals grensgemeenten al jaren gewend zijn te doen in hun Euregio’s. Bij grensgemeenten is sowieso de Europese oriëntatie groter dan in andere gemeenten.
Wat betreft regionale samenwerking zien we mooie voorbeelden. Neem het Europapact Fryslân, een kennisstructuur en samenwerking van achttien Friese gemeenten die worden geholpen door een relatief vergelijkbare infrastructuur en schaal. De provincie Utrecht ontwikkelde een EU-leergang voor Utrechtse gemeenten.
Wij zien dat gemeenten zowel intern als gezamenlijk stappen kunnen zetten. Voorbeelden zijn een Europa-inwerkprogramma, het delen van expertise op complexe dossiers, overdracht van relaties en dossiers en evaluatie van geslaagde, maar vooral ook gemiste aanvragen. Gezien het nationale belang van Europees bewustzijn van decentrale overheden zou ook de rijksoverheid een rol kunnen pakken bij het ‘interbestuurlijke’ leren en professionaliseren.
Lees het hele essay in Binnenlands Bestuur nummer 1 van 21 januari 2026

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.