De recente ophef in de Tweede Kamer over de OCW-taalgids ging vooral over voorbeelden: ‘Jij-dag’ in plaats van Vader- of Moederdag, het vermijden van ‘dames en heren’ en alternatieven voor termen als ‘Gouden Eeuw’ en ‘Midden-Oosten’. Maar wie het debat daartoe beperkt, mist het wezenlijke punt. De echte vraag is niet welke woorden in een taalgids staan, maar wie binnen de overheid bepaalt hoe de maatschappelijke werkelijkheid moet worden benoemd.
Als taal iedereen moet insluiten, wie bepaalt dan de woorden?
De discussie over inclusieve overheidstaal gaat niet om woorden, maar om wie bepaalt hoe de werkelijkheid officieel wordt benoemd.
Dat de overheid begrijpelijk en zorgvuldig moet communiceren, spreekt vanzelf. Voor zulke taalzorg bestaan redelijk objectieve maatstaven: schrijf helder, vermijd jargon, gebruik B1-taalniveau. Het wordt anders wanneer taal ook ‘inclusief’, ‘gelijkwaardig’ of ‘sensitief’ moet zijn. Dat zijn geen technische, maar normatieve criteria: zij veronderstellen een oordeel over welke woorden de werkelijkheid het meest rechtvaardig of passend beschrijven. Dan gaat het niet langer alleen om communicatie, maar om definitiemacht.
Wie bepaalt welke termen als professioneel, zorgvuldig of inclusief gelden, beïnvloedt ook welke interpretatiekaders binnen beleid en bestuur als legitiem gelden
Wie bepaalt welke termen als professioneel, zorgvuldig of inclusief gelden, beïnvloedt ook welke interpretatiekaders binnen beleid en bestuur als legitiem gelden. Daarom is overheidsnormering van taal principieel iets anders dan taalverandering in de samenleving. Burgers en maatschappelijke organisaties mogen strijden om woorden en betekenissen; de overheid is geen gewone deelnemer aan dat debat. Wanneer zij bepaalde terminologie aanbeveelt of ontmoedigt, verleent zij bestuurlijk gezag aan één specifieke manier om de werkelijkheid te beschrijven.
Dat is niet zonder risico. Want zodra taalbeleid wordt gekoppeld aan het ‘doorbreken van machtsstructuren’, moet eerst worden vastgesteld waar macht zit, welke groepen als achtergesteld of bevoorrecht gelden en welke ongelijkheden structureel relevant zijn. In de praktijk dreigt identiteit daarbij de primaire lens te worden voor maatschappelijke positie en bestuurlijke prioriteit.
Dat wringt, omdat zulke kaders tegelijk benadrukken dat ‘de mens centraal’ moet staan en mensen niet tot één kenmerk mogen worden gereduceerd. Wie taal en beleid structureel vormgeeft vanuit identiteitscategorieën, doet echter precies dat.
Bovendien vereist groepsgerichte taalnormering dat de overheid bepaalt welke stemmen binnen een groep als representatief gelden. Maar identiteitsgroepen zijn geen homogene blokken; binnen elke categorie bestaan uiteenlopende opvattingen over taal en zelfbeschrijving. Wie één opvatting institutioneel volgt, verheft die impliciet boven concurrerende visies.
Dat is ook niet haar taak. In een democratische rechtsstaat behoort de overheid burgers in beginsel als individuen tegemoet te treden, niet als vertegenwoordigers van identiteitsgroepen. Juist daarom past terughoudendheid bij beleid dat burgers eerst categoriseert om vervolgens taal op die categorieën af te stemmen.
Over zulke classificaties en de onderliggende machtsanalyse bestaat fundamenteel verschil van inzicht. Juist daarom moet de overheid terughoudend zijn met het verheffen van één dergelijke analyse tot officiële taalnorm.
Dat gebeurt zelden via expliciete politieke besluitvorming. Zulke normen ontstaan vaak in beleidsnetwerken van kennisinstituten, ngo’s en adviesbureaus, waar normatieve keuzes geregeld worden gepresenteerd als professionele expertise. Via handreikingen, trainingen en interne standaarden krijgen zij vervolgens feitelijk gezag binnen overheidsorganisaties. Zo krijgt een specifieke maatschappelijke visie institutionele status zonder duidelijke democratische afweging.
De discussie over de OCW-taalgids gaat daarom uiteindelijk niet over woorden, maar over macht: over de vraag wie binnen de overheid bepaalt welke maatschappelijke opvattingen de status van bestuurlijke norm krijgen. In een open rechtsstaat hoort die definitiemacht niet stilzwijgend te verschuiven naar beleidsnetwerken, maar thuis in het politieke en maatschappelijke debat.
Geert-Jan Edelenbosch

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.