De recente conclusies van de Autoriteit Persoonsgegevens over het onrechtmatig verwerken van gevoelige gegevens van islamitische inwoners door gemeenten vormen een belangrijke waarschuwing. Niet alleen voor gemeenten, maar voor de overheid als geheel. Het dossier raakt een breder bestuurlijk vraagstuk: wat gebeurt er wanneer beleid of uitvoeringspraktijken achteraf juridisch niet houdbaar blijken, en wie draagt daarvan de gevolgen?
Wanneer beleid wordt gecorrigeerd, betalen burgers
Gebrekkige juridische borging van beleid leidt tot correcties achteraf, met kosten, onzekerheid en verlies aan vertrouwen voor inwoners.
Wanneer toezichthouders ingrijpen of rechters beleid corrigeren, volgen boetes, herstelmaatregelen, juridische kosten en aanpassingen aan systemen en processen. Die lasten komen terecht in publieke begrotingen — bij gemeenten, maar ook bij rijksdiensten en uitvoeringsorganisaties. Uiteindelijk worden de kosten gedragen door inwoners en belastingbetalers.
Het gaat niet om een geïsoleerd incident of één bestuurslaag. Vergelijkbare patronen zijn zichtbaar bij rijksbrede gegevensverwerkingen, uitvoeringspraktijken van ministeries en landelijke handhavings- en toezichtconstructies. In meerdere dossiers wordt beleid eerst uitgevoerd en pas later juridisch bijgesteld, na signalen van toezichthouders, ombudsmannen of rechters.
Correctie van overheidsbeleid heeft een hoge maatschappelijke prijs
Steeds ontstaat dezelfde spanning: de wens om snel en daadkrachtig te handelen versus de noodzaak van een solide wettelijke grondslag, proportionaliteit en uitvoerbaarheid. Wanneer die spanning onvoldoende wordt beheerst, verschuift de correctie naar achteraf — met maatschappelijke en financiële kosten tot gevolg.
Het legaliteitsbeginsel geldt voor alle overheden. Het vraagt om meer dan een formele check; juridische houdbaarheid, grondrechten en uitvoerbaarheid moeten vanaf het begin integraal worden meegewogen. Juist bij complexe maatschappelijke opgaven — zoals veiligheid, digitalisering of sociale cohesie — is de verleiding groot om instrumenten te gebruiken waarvan de juridische basis onvoldoende is uitgewerkt.
Voor burgers maakt het weinig verschil of een fout wordt gemaakt door een gemeente, een uitvoeringsorganisatie of een ministerie. Zij ervaren vooral de gevolgen: onrechtmatig handelen, onzekerheid en uiteindelijk de maatschappelijke kosten. Dat kan het vertrouwen in de overheid als geheel onder druk zetten, ook wanneer er later wordt gecorrigeerd.
Daarom is het verstandig om deze dossiers niet uitsluitend als uitvoeringsfouten te beschouwen, maar als signalen over de kwaliteit van governance, toezicht en risicobeheersing binnen de overheid.
In dat licht rijst de vraag of het huidige stelsel van toezicht en rechtsbescherming voldoende is toegerust. Sterkere, daadwerkelijk onafhankelijke interne toezichthouders — zoals functionarissen gegevensbescherming, compliance- en auditfuncties — zijn noodzakelijk, mits hun positie organisatorisch is geborgd met eigen bevoegdheden en escalatierechten.
Ook externe waarborgen verdienen versterking. Ombudsmannen en het College voor de Rechten van de Mens spelen een belangrijke rol bij het signaleren van structurele patronen en grondrechtelijke risico’s, maar beschikken vaak over beperkte doorzettingsmacht. Meer mogelijkheden voor tijdige interventie en verplichte opvolging van aanbevelingen kunnen bijdragen aan een verschuiving van correctie achteraf naar preventie vooraf.
De kern is eenvoudig: effectief beleid en rechtmatig handelen zijn geen alternatieven, maar voorwaarden voor elkaar. Wanneer juridische toetsing, toezicht en bestuurlijke verantwoordelijkheid steviger worden verankerd — bij gemeenten en bij de rijksoverheid — voorkomt dit schade voor inwoners en versterkt het de legitimiteit van het openbaar bestuur.
Martin Slingenberg

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.