In Nederland geldt het eigendomsrecht als een fundament van de rechtsstaat, maar die staat nu onder druk, stelt Mirna van Dorst. Niet door een openlijke wetswijziging, maar door de bestuurlijke praktijk rond de Omgevingswet. Die wet werkt met open formuleringen, zoals ‘een goede fysieke leefomgeving’ en ‘participatie in een vroeg stadium’. In theorie zijn die bedoeld om maatwerk mogelijk te maken, maar volgens Van Dorst faciliteren ze in de praktijk dat plannen bestuurlijk en financieel worden vastgelegd voordat omwonenden rechtsbescherming hebben.
De Nederlandse woningbezitter is vogelvrij verklaard
Alleen provinciale bestuurders en bestuursrechters kunnen deze wetteloosheid nog voorkomen, betoogt Mirna van Dorst
Het probleem zit niet in één besluit, maar in het voorafgaande proces. Gemeenten werken met visies, programma’s, samenwerkingsovereenkomsten en grondexploitaties. Deze documenten legitimeren ingrepen in woonwijken, maar hebben geen directe juridische status. Bovendien worden ze vaak zo ruim geformuleerd dat vrijwel elke ruimtelijke invulling mogelijk blijft. Wanneer uiteindelijk een juridisch besluit volgt – bijvoorbeeld wijziging van het bestemmingsplan – blijkt de bestuurlijke en financiële koers al vastgelegd en dus de ruimte voor politieke of juridische correctie sterk beperkt.
Voor burgers geldt nu dus dat hun rechtsbescherming pas begint wanneer het proces bestuurlijk al is afgerond. De spanning wordt versterkt doordat publieke en private belangen steeds sterker zijn verweven. Gemeenten bouwen financiële verwachtingen op met de grondexploitaties en afspraken met ontwikkelaars. Zelfs ondanks serieuze bezwaren van omwonenden. Wie zijn huis, leefomgeving of eigendom wil beschermen, staat dan tegenover een project dat bestuurlijk ‘te groot is geworden om nog te stoppen’.
De directe voedingsgrond en illustratief voorbeeld voor mijn stelling is een woningbouwproject in mijn eigen buurt in West-Brabant. Nog voordat de participatie met de buurt begon, bestond bij de betrokken woningcorporatie al een volledig uitgewerkte maquette van een extreem plan. Na de tweede bijeenkomst bleek uit een peiling dat 88,9 procent van de omwonenden het plan niet passend vond voor de locatie. Toch werd de dag voor de derde bijeenkomst de grondexploitatie aan de gemeenteraad voorgelegd. Zo verschuift de praktijk van de Omgevingswet dus grote verantwoordelijkheid naar twee instituties: de provinciale overheid en de bestuursrechter.
Provinciale bestuurders vervullen in het Nederlandse staatsbestel een belangrijke toezichthoudende rol ten aanzien van gemeenten en kunnen ingrijpen bij plannen die in strijd zijn met provinciale regels of die berusten op onzorgvuldige besluitvorming. Wanneer dit bestuurlijk toezicht tekortschiet, resteert de bestuursrechter als laatste waarborg dat besluiten voldoen aan beginselen als zorgvuldigheid, evenredigheid en rechtszekerheid.
Leunt de Nederlandse rechtsstaat in de praktijk van de Omgevingswet niet te sterk op de rechter? Als burgers buitenspel staan bij de ontwikkeling van een project en na jaren van procedures pas bescherming vinden, is dan niet het bestuurlijke systeem zelf al uit balans? De kernvraag is daarom niet alleen juridisch, maar bestuurlijk: hoe voorkomen we dat plannen zover worden voorbereid dat rechtsbescherming een kostbaar onderdeel wordt van ruimtelijke besluitvorming?
Mirna van Dorst is bestuurskundige en heeft 25 jaar ervaring in managementondersteuning binnen de publieke en semipublieke sector.

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.