In het coalitieakkoord van het kabinet-Jetten wordt dit opnieuw genoemd. Ook deze regering wil echter alles tegelijk, waardoor concrete en daarbij broodnodige plannen om de rijksuitgaven terug te dringen onrealistisch lijken. Het zou veel verstandiger zijn om duidelijke keuzes voor de korte termijn te maken, alvorens in de toekomst eventueel nóg scherpere beslissingen te nemen.
Minder inhuur begint bij duidelijke keuzes
Het gaat er al een tijd over en sinds het voornemen van het kabinet-Schoof is het weer een hot topic: de afslanking van de Rijksdienst.
In het eerste inhoudelijke hoofdstuk van het coalitieakkoord is te lezen dat het kabinet-Jetten inzet op een ‘minder omvangrijk ambtenarenapparaat’ en daarnaast ‘externe inhuur waar mogelijk terugbrengen [...] van de huidige 15,4 procent van de totale personele uitgaven naar 10 procent (de ‘Roemernorm’).’ Op zich logisch, maar het tegelijkertijd realiseren van deze voornemens is absoluut niet realistisch, zeker aangezien in hetzelfde coalitieakkoord nogal wat plannen staan die om meer FTE’s vragen. Zo wordt ingezet op het oprichten van een Nederlandse Digitale Dienst en concreet op het ‘versterken van de technische capaciteit van de overheid door een concurrerend salarispad voor IT-specialisten in te voeren.’
Probeer kennis zo veel mogelijk intern te houden
Het aantal rijksambtenaren is ontegenzeggelijk gegroeid (38 procent in zes jaar). Aangezien de externe inhuur als percentage gelijk is gebleven, zijn de uitgaven hieraan eveneens fors gestegen. Kortom: meer ambtenaren én meer uitbesteding, terwijl de output niet per se verbeterd lijkt. Het terugdringen van uitgaven lijkt dus niet alleen wenselijk, maar ook mogelijk, gezien het ogenschijnlijke efficiëntieverlies van de afgelopen jaren. Zonder concrete plannen blijft dat echter wensdenken.
Veel uitbesteding wordt gedaan aan Big Four-kantoren: grote adviesbureaus die voor hun ‘goedkoopste’ werknemers steevast minimaal 200 euro per uur factureren. Logisch, want dit geld gaat niet alleen naar degene die het werk verzet, maar grotendeels naar het bedrijf. Het opmerkelijke is dat deze werknemers over het algemeen soortgelijke opleidingsachtergronden hebben als beginnende rijksambtenaren: generalistische masters in economie, bestuurskunde, internationale betrekkingen, et cetera. En toch worden deze ‘experts’ ingeschakeld.
Natuurlijk kan zelfs de overheid niet alles zelf. Sommige onderdelen, zoals bepaalde vormen van toezicht, zullen wettelijk door derden moeten worden uitgevoerd. Maar honderden miljoenen uitgeven aan ‘financieel en strategisch advies’, terwijl je niet vaak genoeg kunt zeggen dat er een interne wildgroei aan (nota bene) beleidsadviseurs is ontstaan, snijdt geen hout.
Dus wees realistisch en maak een keuze. Probeer kennis zo veel mogelijk intern te houden. Rijksambtenaren zitten daarbij vaak stevig in hun positie door cao’s en wet- en regelgeving. Zomaar inzetten op een ‘minder omvangrijk ambtenarenapparaat’ klinkt goed voor de bühne, maar is zonder concrete plannen een holle frase. Stel overigens dat dit wel lukt, dan moeten de uitgaven aan externe inhuur plotseling worden gehalveerd om aan de Roemernorm te voldoen.
Aangezien de achtergronden niet zo verschillen en het ambtenarenapparaat moet krimpen, zou bij een reorganisatie ook kunnen worden overwogen teams te verkleinen en een aantal ambtenaren in te zetten op taken die nu worden uitbesteed. Dan moet het kabinet-Jetten wel durf tonen, zowel om te reorganiseren als om de krachtige bedrijfslobby teleur te stellen. In het landsbelang zou dit evenwel geen zware opgave moeten zijn. Een efficiënte, slagvaardige overheid zal uiteindelijk ook de geloofwaardigheid ten goede komen en daarmee hopelijk maatschappelijk wantrouwen en onrust terugdringen.
Luuk Eilers

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.