of 59123 LinkedIn

SCP: Nederlanders trekken vaker grens bij informele hulp

Steeds minder Nederlanders vinden dat informele zorg vooral uit het sociale netwerk van hulpbehoevenden moet komen. In 2010 had 41 procent nog die mening. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) was dat nog maar 23% in 2016.

Steeds minder Nederlanders vinden dat informele zorg vooral uit het sociale netwerk van hulpbehoevenden moet komen. In 2010 had 41 procent nog die mening. Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) was dat nog maar 23% in 2016.

4 miljoen mantelzorgers

In het SCP-rapport Voor elkaar? worden cijfers over de informele hulp (mantelzorg en vrijwilligerswerk in de zorg) uit 2014 en 2016 vergeleken. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de omvang van de informele hulp, de bereidheid daartoe, de kenmerken en effecten van informele zorg en de ondersteuning van mantelzorgers. Ruim 4 miljoen Nederlanders geven volgens het SCP mantelzorg. Uit de studie blijkt dat het aantal informele helpers ruwweg gelijk is gebleven ten opzichte van 2014. Van de 4 miljoen mantelzorgers geven er 750.000 aan langdurig (langer dan drie maanden) en intensief (meer dan 8 uur per week) mantelzorg te geven. Bijna twee derde van de mensen die een hulpbehoevende kennen, geeft die persoon hulp.

 

Grenzen aan hulp

De bereidheid om te helpen is eveneens hoog; bijna zeventig procent vindt dat je een hulpbehoevend familielid moet helpen, zestig procent heeft diezelfde mening over hulpbehoevende vrienden. Twee derde van de mensen die geen informele zorg geven, is alsnog bereid op enige manier te helpen. In de hulpbereidheid benoemt het SCP een paar in het oog springende verschuivingen; zo is het aantal mensen dat de verzorging van hulpbehoevende ouders primair als een overheidstaak ziet de laatste twee jaar afgenomen (van 69 procent in 2014 naar 63 procent in 2016). Aan de andere kant heeft de opvatting dat familie en vrienden zoveel mogelijk van de benodigde hulp moeten geven de laatste zes jaar fors aan populariteit ingeboet (van 41% in 2010 naar 23%). Het SCP trekt hieruit de conclusie dat helpers vaker aangeven dat er naar hun mening grenzen zijn aan wat er van hen gevraagd kan worden.  

 

15 procent mantelzorgers voor partners houdt niet lang meer vol

De meeste mantelzorgers bieden hulp aan ouders of schoonouders, gevolgd door hulp aan broers en zussen, partner en kind. Een hoge belasting wordt vooral ervaren door vrouwen, 35- tot 44-jarigen, mantelzorgers met veel taken, en mantelzorgers die intensieve hulp geven. Als de hulpbehoevende terminaal is, aan een psychiatrische aandoening lijdt, (soms) agressief is, of een hoge hulpbehoefte heeft, is er ook relatief vaak sprake van een hoge belasting. Zestien procent van de partnerverzorgers, en twintig procent van de kinderverzorgers geeft aan een hoge belasting te ervaren. Vijftien procent van de partnerverzorgers geeft zelfs aan hun zorgtaak nog maximaal een half jaar vol te kunnen houden.

 

Minder hulp professionals

Een op de acht mantelzorgers is de enige helper van zijn of haar hulpbehoevende. Sinds 2014 zijn meer mantelzorgers die hulp buiten hun eigen huishouden bieden, gaan samenwerken met andere mantelzorgers (van 32 procent naar 41 procent). Steeds minder van deze mantelzorgers deelt de zorg met een professioneel of gemengd netwerk (van 42 procent naar 34 procent). Volgens het SCP kan dat betekenen dat er minder professionals zijn, of dat professionals in toenemende mate worden ingezet bij een gebrek aan mantelzorgers, maar is dit niet na te gaan.  

 

Mantelzorgondersteuning bij een derde onbekend

Verder blijkt dat 16 procent van de mantelzorgers vindt dat hij of zij vaardigheden mist om het werk goed te kunnen uitvoeren. Iets meer mantelzorgers geven aan niet de benodigde kennis in huis te hebben. Van ondersteuning door gemeenten of zorgkantoren wordt betrekkelijk weinig gebruik gemaakt. Tien procent van de mantelzorgers zegt respijtzorg nodig te hebben, maar deze niet te krijgen. Bijna een vijfde van de mantelzorgers vindt dat zijn of haar hulpbehoevende onvoldoende hulp ontvangt, en dan met name aan huis. De optie van mantelzorgondersteuning kan daarbij een uitkomst zijn, maar is net als in 2014 bij een derde van de mantelzorgers onbekend. Van de mantelzorgers die ondersteuning nodig hebben en deze niet krijgen, zegt een kwart ook niet te weten waar zij de hulpvraag moet neerleggen. Tot slot zegt slechts één veertiende van de mantelzorgers dat hij of zij jaarlijks een blijk van waardering van de gemeente ontvangt. Dit laatste komt volgens het SCP doordat gemeenten mantelzorgers mogelijk niet in beeld hebben. 

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.