of 61043 LinkedIn

Meer geld voor ‘coronakosten’ Wmo en jeugd

Gemeenten krijgen niet 144, maar 170 miljoen euro voor de meerkosten die zijn gemaakt voor de Wmo en jeugdhulp. Dat is vrijdag bekend gemaakt.

Gemeenten krijgen 170 miljoen euro voor de meerkosten die zijn gemaakt voor de Wmo en jeugdhulp. Dat is vrijdag bekend gemaakt. Er was al 144 miljoen euro als voorschot uitgekeerd. De resterende 26 miljoen volgt in de decembercirculaire. De kans is groot dat dit nog niet voldoende is.

Afwijkingen

In opdracht van het rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft AEF de meerkosten en de kosten van uitgestelde zorg in kaart gebracht. Cijfers tot en met juli zijn geëxtrapoleerd tot eind 2020. Mocht deze extrapolatie niet stroken met de reële uitgaven de komende maanden, dan gaat de VNG weer met het kabinet in gesprek. AEF waarschuwt in zijn rapport dat de financiële impact nog niet nauwkeurig in beeld kon worden gebracht. Het gaat, afhankelijk van de zorgvorm, om onzekerheid van de raming van tien tot twintig procent. Ook is geen rekening gehouden met een tweede golf.   

 

Niet voldoende

Het in het voorjaar uitgekeerde voorschot van 98 miljoen euro aan centrumgemeenten voor beschermd wonen/maatschappelijke opvang en vrouwenopvang is niet voldoende, zo is uit het onderzoek naar voren gekomen. Voor beschermd wonen krijgen centrumgemeenten 5,6 miljoen euro extra. Daarnaast gaat 66,4 miljoen euro naar alle gemeenten voor de Wmo en jeugdhulptaken. Dat is 20,4 miljoen meer dan het in het voorjaar toegekende voorschot.

 

Alternatieve zorgverlening

Het gros van de jeugdhulpaanbieders heeft van maart tot en met juli meerkosten gemaakt door de coronacrisis. De aanschaf van beschermingsmiddelen was de grootste ‘meerkostenpost’. Ook de inzet van extra personeel, alternatieve zorgverlening en ict-gerelateerde kosten hebben tot extra kosten geleid. De prognose van meerkosten voor de tweede helft van 2020 ligt een stuk lager, stelt AEF in zijn onderzoek ‘Meerkosten in het sociaal domein ten gevolge van corona’. Een groot aantal aanbieders geeft al weer op het oude niveau zorg te leveren of dat snel te kunnen gaan doen.

 

Productieverlies

Het productieverlies voor jeugdhulpaanbieders is ‘aanzienlijk’ voor de periode van maart tot en met juli en kleiner in de resterende maanden van dit jaar, aldus AEF. Voor de periode maart tot en met juli is er sprake van een productieverlies van 3,6 procent van de omzet; 70 miljoen euro. Dit bedrag is via de met gemeenten afgesproken omzetgarantie gecompenseerd, maar AEF tekent daarbij aan dat nog niet alle aanbieders als vanouds hun werk kunnen doen. ‘Dit is zowel op grote als voor kleine aanbieders van toepassing, alhoewel de kleine aanbieders relatief gezien meestal de grootste productieverliezen kennen. Omdat de generieke oproep tot omzetgarantie niet meer geldt, lopen aanbieders een financieel risico over dit productieverlies’. De kosten van inhaalzorg van jeugdhulp zijn laag, constateert AEF verder.

 

Extra personeel

In de Wmo werden vooral meerkosten gemaakt vanwege de aanschaf van beschermingsmiddelen gevolgd door personele kosten. Vooral bij aanbieders van dagbesteding liepen de personeelskosten flink op. ‘Zij hebben tijdens de crisis extra personeel ingezet om hun cliënten op individueel niveau te kunnen begeleiden’, aldus AEF. Het is voor een belangrijk deel nog koffiedikkijken hoe de meerkosten zich de komende maanden gaan ontwikkelen. ‘We schatten de onzekerheid van de extrapolatie voor de ramingen Wmo op twintig procent’, aldus AEF. Vooral wat betreft begeleiding is het lastig schatten. De begeleiding heeft maanden stilgelegen en wordt sinds juli weer opgepakt. ‘Aanbieders zijn aan het uitvinden op welke manier zij hun werkzaamheden voort kunnen zetten binnen de door het RIVM gestelde richtlijnen. De meerkosten die gepaard gaan met de aanpassingen die daarvoor nodig zijn, hebben aanbieders op dit moment nog niet in beeld.’

 

Financiële problemen

De productieverliezen in de Wmo zijn ‘aanzienlijk’, stelt AEF. Cliënten van dagbesteding en huishoudelijke hulp durfden het vaak niet aan naar de dagbesteding te gaan of thuis een hulp over de vloer te krijgen. Voor aanbieders van dagbesteding was het een fikse puzzel om de dienstverlening voort te zetten met inachtneming van de RIVM-richtlijnen. Hoewel de productieverliezen bij bijvoorbeeld huishoudelijke hulp in de loop van dit jaar zullen afnamen van 2,6 naar 0,8 procent zullen sommige aanbieders nog ‘flinke productieverliezen’ voor hun kiezen krijgen. Mogelijk komen zij in financiële problemen als gemeenten geen vorm van omzetgarantie bieden, waarschuwt AEF. Van inhaalzorg is bij de Wmo geen sprake.

 

Compensatie

Tussen regio’s zijn geen verschillen in meerkosten dan wel productieverlies. Wel tussen de omvang van aanbieders. Kleinere aanbieders hebben vaker hogere meerkosten dan grote. ‘Dit wordt met name verklaard doordat grote aanbieders de mogelijkheid hebben om personeel op een andere manier in te zetten, waar voor kleine aanbieders die mogelijkheden vaak beperkter zijn’, aldus AEF. Maar groot en klein kan niet allemaal op een hoop worden gegooid, vindt het bureau. ‘De manier waarop zorg geleverd wordt, de doelgroep van de aanbieder, de kosten die gemaakt moeten worden om aan de RIVM-maatregelen te voldoen; het zijn allemaal factoren die meewegen in de kosten en per aanbieder verschillen.’ AEF adviseert om daar bij het maken van afspraken over compensatie op aanbiederniveau rekening mee te houden.

 

Onzeker

Aanbieders die tegen productieverliezen aankijken, zijn onzeker omdat de afspraken met gemeenten over de omzetgarantie niet meer gelden, tekent AEF op. Veel aanbieders en gemeenten zijn daarover weliswaar met elkaar in gesprek, maar dat is lang niet overal zo.

 

Afbeelding

 

Bron: AEF 'Meerkosten in het sociaal domein ten gevolge van corona'

VO=Vrouwenopvang; BW=Beschermd Woenn; MO=Maatschappelijke opvang

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.