De cultuursector in ons land wordt voor het grootste deel door gemeenten overeind gehouden: zij verdelen 60 procent van de publieke middelen. De rijksuitgaven blijven beperkt tot 30 procent daarvan. De provincies verdelen de laatste 10 procent.
Cultuursector zwaar afhankelijk van gemeenten
De cultuursector in ons land wordt voor het grootste deel door gemeenten overeind gehouden.
Dalende trend in bekostiging
Dat blijkt uit onderzoek van de Raad voor Cultuur. De Raad nam de peiljaren 2005 en 2023 en bekeek over die periode van bijna twee decennia overbruggen de financieringsstromen van rijk, provincies, gemeenten en private bijdragen (exclusief publieksinkomsten). De verhoudingen tussen die vier geldstromen blijken over het geheel genomen de afgelopen twintig jaar vrijwel onveranderd.
In totaal gaf de Nederlandse overheid (rijk, provincies en gemeenten samen) in het laatste peiljaar circa 3,9 miljard euro uit aan cultuur. De bekostiging van provincies en gemeenten is daarbij ongeveer twee keer zoveel als de bekostiging van het rijk, waarbij vooral het aandeel van gemeenten opvalt.
Uit CBS-onderzoek naar de uitgaven van gemeenten en provincies aan cultuur blijkt dat de cultuuruitgaven van alle gemeenten samen in 2023 uitkwamen op 2,27 miljard euro: het grootste deel van de totale overheidsuitgaven aan cultuur: zo’n 60 procent. De uitgaven per gemeente verschillen weliswaar sterk – per hoofd van de bevolking liggen ze in grotere gemeenten doorgaans hoger ten opzichte van kleinere gemeenten – maar tussen 2017 en 2023 nam het gemiddelde toe van 108 naar 127 euro per inwoner: een stijging van 18 procent.
De uitgaven per gemeente aan cultuur verschillen sterk
Bijna hetzelfde percentage geldt voor de provincies: een stijging van 17 procent. Beide stijgingen zijn echter lager dan de inflatie in diezelfde periode: 24 procent. De Boekmanstichting concludeerde eerder dat zowel provincies als gemeenten relatief minder uitgaven aan cultuur dan zeven jaar eerder.
Private bijdragen
De totale uitgaven aan cultuur zijn in de onderzochte periode van twintig jaar in absolute zin dan wel gestegen, maar gedaald als aandeel van de totale overheidsuitgaven. In de rijksbegroting daalde van het aandeel 0,47 procent in 2005 naar 0,35 procent in 2023. ‘Dit betekent omgerekend dat de cultuursector sinds 2005 ruim 500 miljoen euro heeft ingeleverd ten opzichte van andere sectoren’, aldus de Raad voor Cultuur. ‘Ondanks de economische groei in Nederland heeft de bekostiging van cultuur geen gelijke tred gehouden.’
In dezelfde periode zijn de private bijdragen stabiel gebleven. ‘De hypothese dat een afname van publieke financiering van cultuur zal leiden tot een toename van private bijdragen is een mythe’, aldus de Raad voor Cultuur. De bekostiging uit private middelen maakt overigens maar een beperkt deel uit van de totale inkomsten van de cultuursector. De private bijdragen (van huishoudens, nalatenschappen, private fondsen, bedrijven en loterijen) van circa 389 miljoen euro vormen een aandeel van 10 procent op het totaal en zijn de kleinste inkomstenbron.
Opvallend is volgens de Raad voor Cultuur bovendien dat de Nederlandse overheid relatief minder uitgeeft aan cultuur dan de ons omringende landen. ‘Uit Eurostat- cijfers blijkt dat Nederland een van de weinige landen in de Europese Unie is die een kleiner deel aan cultuur is gaan uitgeven. De totale Nederlandse overheidsuitgaven aan cultuur als aandeel in het BNP is gedaald ten opzichte van het Europees gemiddelde.’
Een dalende trend in de bekostiging van cultuur is volgens de Raad voor Cultuur problematisch, omdat het zorgt voor een onvoldoende stabiele financieringsbasis van culturele organisaties. ‘Hierbij speelt de Wet van Baumol een rol: de cultuursector is een zeer arbeidsintensieve sector waar loonstijging nauwelijks kan worden opgevangen door efficiëntieverbetering. Stijgende kosten, minder stijgende inkomsten en geen of onvoldoende inflatiecorrectie leiden tot financiële nood.’

Plaats als eerste een reactie
U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.