Advertentie

Spuitzones en uitzonderingssituatie

Waar moet je rekening mee houden bij bijvoorbeeld het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan?

Spuitzones en uitzonderingssituatie

Hoe zit het ook alweer met het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het daarbij in de buurt toevoegen van gevoelige functies zoals woningen en tuinen? Wij krijgen regelmatig de vraag wanneer je met dat (planologisch) mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (al dan niet) rekening moet houden. Bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan komt die vraag vaak op. In een eerder blog gaf Dianne Jennissen al antwoord op deze vraag. Recente uitspraken geven aanleiding om hier nog eens op in te gaan.

Lijn Afdeling: maximale gebruiksmogelijkheden in plaats van feitelijk gebruik

Stel: nabij de toe te voegen gevoelige functies (zoals woningen) ligt een agrarisch perceel waarop vee wordt geweid. Er worden geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Hoeft er dan geen spuitvrije zone (hierna: ‘spuitzone’) aan te worden gehouden tussen de gevoelige functie en het agrarische perceel? Zo simpel is het (helaas) niet. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘Afdeling’) van 29 maart 2017 volgt daarover het volgende. Bij de beoordeling van de vraag of (al dan niet) een spuitzone moet worden aangehouden, moet niet worden gekeken naar het feitelijke gebruik maar naar hetgeen planologisch maximaal is toegestaan. Bij de ontwikkeling van een nieuwe gevoelige functie nabij agrarische percelen, is het dus allereerst van belang om te weten wat de maximale gebruiksmogelijkheden van dat agrarische perceel op basis van het bestemmingsplan zijn. Laat dat bestemmingsplan de teelt van gewassen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (onbeperkt) toe? Zo ja, dan volgde lange tijd uit de rechtspraak van de Afdeling (onder meer uit voornoemde uitspraak) dat met dat gebruik rekening moest worden gehouden, ook al vond dat gebruik feitelijk niet plaats. In veel gevallen was dan het aanhouden van een spuitzone tussen het agrarische perceel en de nieuwe functies noodzakelijk.

Nuancering: feitelijk gebruik toch relevant

De Afdeling hanteerde dus lange tijd de lijn dat voor het bepalen of een spuitzone nodig is, uitgegaan moet worden van de maximale gebruiksmogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. In haar uitspraak van 20 december 2017 nuanceerde de Afdeling deze lijn al enigszins. In die uitspraak oordeelde de Afdeling – kort gezegd – dat toch geen rekening hoeft te worden gehouden met een wijziging van het gebruik (en dus de maximale gebruiksmogelijkheden) indien die wijziging in de planperiode niet voorzienbaar is. Daarbij is de mate van (on)waarschijnlijkheid van de wijziging van het gebruik van belang. In het in die uitspraak voorliggende geval was relevant dat de betreffende gronden in gebruik waren door een melkveehouderij. Daarnaast had deze melkveehouder geen enkel concreet voornemen kenbaar gemaakt om het huidige agrarische gebruik binnen de planperiode te wijzigen in de teelt van gewassen. Ook had zij niet gesteld dat wijziging van het gebruik binnen de planperiode voorzienbaar was. Gelet op de recent vergunde en gerealiseerde uitbreiding van de melkveehouderij, was verandering van dit bestaande agrarische gebruik binnen de planperiode zodanig onwaarschijnlijk dat de raad in redelijkheid geen rekening hoefde te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones moeten worden aangehouden. In dit geval werd dus een uitzondering gemaakt op de hoofdregel en behoefde niet van de maximale gebruiksmogelijkheden te worden uitgegaan. In de voornoemde blog ‘Wel of geen spuitzone?’ gaat Dianne Jennissen dieper in op deze uitspraak.

Onvoldoende motivering uitzonderingsgeval

Op 2 maart 2022 heeft de Afdeling opnieuw uitspraak gedaan in een zaak waarin deze eerdere lijn verder wordt ingevuld. In deze uitspraak ging het om een perceel waarop feitelijk geen agrarisch grondgebruik plaatsvond waarbij gewasbeschermingsmiddelen werden toegepast. Het bestemmingsplan bood deze mogelijkheid echter wel. Op het naburige perceel wilde men een tuinbestemming toevoegen. Daarbij kon geen afstand van 50 meter worden aangehouden tot het betreffende agrarische perceel. De gemeenteraad stelde dat dat ook niet nodig was, omdat het – kort gezegd – toch al niet mogelijk was om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken gelet op de al bestaande gevoelige functies aan de andere zijde van het agrarische perceel. Bovendien gaf de raad aan dat het niet reëel was dat het gebruik van het perceel binnen de planperiode zou worden omgezet naar de teelt van gewassen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Ook wees de raad daarbij op de hoeveelheid bomen op en rondom het perceel.

De Afdeling overweegt allereerst dat de omstandigheid dat het perceel aan de andere zijde al grenst aan gronden die zijn bestemd als tuin, er op zichzelf niet aan in de weg staat om op het perceel gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. Voor bestaande situaties worden in wet- en/of regelgeving immers geen beperkingen gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nabij gevoelige functies.

De Afdeling is verder van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat in dit geval sprake was van een ‘uitzonderingsgeval’ zoals in de uitspraak uit december 2017. Het feit dat er geen concrete plannen kenbaar zijn gemaakt voor de wijziging van het gebruik is niet voldoende om aan te nemen dat deze wijziging ook daadwerkelijk niet zal plaatsvinden. Bovendien maakte de enkele

aanwezigheid van bomen op of rondom het perceel ook de wijziging van het gebruik van het perceel niet zodanig onaannemelijk dat de raad daar bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening mee had hoeven houden. Volgens de Afdeling was dus niet aannemelijk gemaakt dat wijziging van het gebruik binnen de planperiode niet voorzienbaar was. Volgens de Afdeling had dus rekening moeten worden gehouden met de maximale gebruiksmogelijkheden van het betreffende perceel.

Verschil?

Het verschil tussen de uitspraak uit december 2017 en de uitspraak uit maart 2022 is dat in de situatie van 2017 sprake was van een recent vergunde en gerealiseerde bedrijfsuitbreiding van een melkveehouderij. Daarom kon juist ervan worden uitgegaan dat geen wijziging naar teelt zou plaatsvinden. In de situatie uit 2022 was van dat laatste geen sprake.

Geen concrete plannen voor wijziging onvoldoende

Kortom: dat geen concrete plannen voor wijziging van het gebruik van het perceel kenbaar zijn gemaakt is op zichzelf onvoldoende om te stellen dat geen rekening hoeft te worden gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de toekomst. Daar is meer voor nodig.

Wel een uitzonderingsgeval

Dat die lat vervolgens niet zo hoog wordt gelegd zien we in de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022.

In deze zaak ging het om een bestemmingsplan waarin een woonbestemming voor drie burgerwoningen op een perceel werd gelegd. Appellant teelt druiven op een perceel dat grenst aan de planlocatie. Daarnaast exploiteert hij enkele recreatiewoningen en een groepsaccommodatie op zijn perceel. Hij vreest dat hij door de komst van woningen beperkt zal worden in zijn bedrijfsvoering. Planologisch is het mogelijk dat het huidige gebruik van de gronden waarop de recreatiewoningen en de groepsaccommodatie staat, wordt gewijzigd in de teelt van gewassen.

Ter zitting heeft appellant echter aangegeven de huidige exploitatie van de recreatiewoningen en groepsaccommodatie te willen voortzetten en zelfs te willen uitbreiden. Daarnaast heeft appellant geen concrete plannen kenbaar gemaakt om gewassen te gaan telen op de gronden die direct tegen het plangebied aanliggen.

De Afdeling oordeelt dat verandering van het bestaande gebruik van het perceel onder deze omstandigheden zodanig onaannemelijk is, dat het college geen rekening heeft hoeven houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. In dit geval neemt de Afdeling dus wél een uitzonderingsgeval aan.

Waar moet je op letten als je beroep wilt doen op de uitzonderingsituatie?

Om een beroep te kunnen doen op de uitzonderingssituatie (oftewel, dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) geldt, gelet op de huidige rechtspraak, het volgende:

  • er mogen geen concrete plannen zijn die erop wijzen dat de gebruiker van het perceel gewassen wil gaan telen;
  • plannen die wijzen op gebruik van het perceel waarbij juist geen sprake is van de teelt van gewassen waarbij gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden gebruikt, zijn relevant. Dergelijke plannen kunnen worden onderbouwd met bijvoorbeeld recent verleende vergunningen en/of gedane meldingen. Echter, ook uitlatingen van de gebruiker van het perceel kunnen daarvoor van belang zijn.

Oftewel, ook zonder een recent vergunde en gerealiseerde bedrijfsuitbreiding waarbij geen sprake is van teelt van gewassen (maar bijvoorbeeld veehouderij of recreatie) kan worden aangevoerd dat geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit moet dan zo goed als mogelijk worden onderbouwd. Uitlatingen van de gebruiker van het betreffende perceel kunnen daarvoor van belang zijn.

Vragen?

Mocht je vragen hebben over dit onderwerp, neem gerust contact op met Dianne Jennissen of Eveline Thoonen.

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Advertentie