ruimte en milieu / Partnerbijdrage

De krappe jas van het speciaal onderwijs

Ontwikkeling leerlingaantallen en praktijkcasussen.

Speciaal onderwijs

Sinds een aantal jaren monitort HEVO de ontwikkeling van de leerlingenaantallen binnen het (voortgezet) speciaal onderwijs. Een terugkerende interessante casus, omdat de invoering van de Wet passend onderwijs in de basis zou moeten leiden tot een afname van het ingeschreven aantal leerlingen op het speciaal onderwijs. 

De werkelijkheid is echter weerbarstig. Bij onze advisering en ondersteuning van organisaties door het gehele land merken wij deze, vanuit de wet gewenste, ontwikkeling maar zeer beperkt tot niet. Het regulier PO en VO biedt maar mondjesmaat inclusiever onderwijs. Reden te meer voor dit herhalende onderzoek. Naast een reflectie op de absolute leerlingenaantallen komen enkele bestuurders van (V)SO-scholen en stichtingen aan het woord om te duiden wat er gebeurt en met name ook wat zij daar in de dagelijkse praktijk van ondervinden. 

Al sinds de start van onze analyses op de leerlingenaantallen in het (V)SO kunnen we concluderen dat de ‘doelen’ van Passend Onderwijs niet gehaald worden. In plaats van de beoogde daling van het aantal leerlingen op het (voortgezet) special onderwijs zien we juist een stijging in het aantal leerlingen, specifiek in het SO.

Ontwikkeling leerlingenaantal in het regulier onderwijs (PO en VO) versus het speciaal onderwijs

Jaarlijks zien we een daling in het aantal leerlingen op het ‘regulier onderwijs’ (exclusief (V)SO). Sinds het schooljaar 2014/2015 gaat het voor het primair onderwijs om een daling van circa 5,9% (van 1,49 mln. leerlingen naar 1,40 mln. leerlingen), voor het voortgezet onderwijs om een daling van circa 5,2% (van 985.672 leerlingen naar 934.138 leerlingen). Het primair onderwijs laat hierbij met name in het huidige schooljaar een relatief sterke daling zien ten opzichte van het voorgaande schooljaar (-1,1%). 

In figuur 1 is de jaarlijkse procentuele verandering van het leerlingenaantal ten opzichte van het voorgaande leerjaar weergegeven. Hierin is zichtbaar dat het reguliere PO (met uitzondering van 2015/2016) en het VO voortdurend een dalend leerlingenaantal laten zien ten opzichte van het voorgaande leerjaar. 

Grafiek 1
Figuur 1: jaarlijkse procentuele verandering leerlingenaantallen t.o.v. het voorgaande leerjaar.

Bij het speciaal onderwijs is dat beeld duidelijk anders. Na de invoering van de Wet passend onderwijs werd ook het speciaal onderwijs gekenmerkt door een dalend leerlingenaantal (met name schooljaar 2015/2016). Echter daarna is deze daling, met name in het SO, snel omgezet in een (forse) jaarlijkse stijging. In het VSO is deze groeiende trend in figuur 1 minder duidelijk zichtbaar en ontstaan er voornamelijk grote verschillen tussen de verschillende clusters. Daarover later meer, zie ook figuur 3. 
Zowel bij het SO als bij het VSO is de trend in ieder geval duidelijk afwijkend van het reguliere onderwijs, ook waar er wel sprake is van een dalend leerlingenaantal (zoals deels bij het VSO) is deze daling aanzienlijk kleiner dan de daling in het reguliere VO.

Ontwikkeling binnen het (voortgezet) speciaal onderwijs

Het beschouwen van de ontwikkelingen binnen het (V)SO als ‘één onderwijssoort’ (zoals in figuur 1) is in de praktijk lastig, de verschillen tussen de ‘clusters’ zijn namelijk groot. In de figuren 2 en 3 is de ontwikkeling van de leerlingenaantallen binnen de verschillende clusters van het SO en VSO weergegeven. 

Grafiek 2
Figuur 2: ontwikkeling leerlingenaantallen SO
Grafiek 3
Figuur 3: ontwikkeling leerlingenaantallen VSO

Binnen het SO is zichtbaar dat cluster 1 (leerlingen met een visuele beperking) min of meer stabiel is. Dit is in de praktijk een type leerling dat de extra faciliteiten en ondersteuning die een betreffende school kan bieden ook nodig heeft en dus niet of nauwelijks mee kan in een ‘reguliere’ setting. Voor cluster 2 (leerlingen met een auditieve en/of taalkundige beperking) is in het SO een min of meer vergelijkbare ontwikkeling zichtbaar. Na een aanvankelijke daling wordt dit cluster de laatste jaren ook gekenmerkt door een lichte stijging/stabilisering in het aantal leerlingen. Het grote verschil ontstaat bij de cluster 3/4-leerlingen. Ook hier is net na de invoering van de Wet passend onderwijs een daling zichtbaar in het aantal leerlingen. Echter, sinds het schooljaar 2017/2018 is het aantal leerlingen op deze scholen (zeer) fors gegroeid. Met name het afgelopen schooljaar is dit aantal leerlingen met ruim 4% gestegen ten opzichte van het voorgaande schooljaar (absoluut bijna 1.100 leerlingen). 

Binnen het voortgezet onderwijs is zichtbaar dat met name de clusters 1 en 2 een sterke daling laten zien in het aantal leerlingen. Voor deze clusters zou de voorzichtige conclusie getrokken kunnen worden dat het Passend Onderwijs ‘succesvol’ is. Blijkbaar is het voor deze leerlingen mogelijk om in het SO voldoende handvatten aangereikt te krijgen om mee te kunnen binnen het ‘reguliere VO’. Ook technologische ontwikkelingen spelen hierbij een belangrijke rol. Aanvullende ambulante ondersteuning is hierbij veelal onmisbaar. 

Ook in het VSO is in cluster 3/4 een duidelijke afwijking zichtbaar. Hoewel het effect zowel procentueel als absoluut minder extreem is als in het SO, is ook hier de laatste jaren een stijging in het aantal leerlingen te zien. Sinds dit schooljaar is de groep leerlingen op deze scholen voor het eerst groter dan vóór de invoering van de Wet passend onderwijs. 

Herkomst leerlingen VSO clusters 3 en 4

Na een eerste blik lijkt het opmerkelijk dat het absolute aantal leerlingen op cluster 3 en 4-scholen in het VSO groter is dan het aantal op het SO. Het SO beslaat immers meer leerjaren dan het VSO. In een verdiepend onderzoek van het ministerie van OCW uit 2021 kan hiervoor de verklaring gevonden worden. Van de totale jaarlijkse instroom op het VSO komt ‘slechts’ 41% direct vanuit het SO. Een even groot percentage van de jaarlijkse instroom op het VSO is afkomstig vanuit het reguliere VO. Over de periode 2016/2017 - 2020/2021 is gemiddeld 41,5% van de jaarlijkse instroom op het VSO afkomstig vanuit het reguliere VO (ministerie van OCW, Staat van het Onderwijs, 2021). De overige leerlingen zijn afkomstig uit het reguliere PO en het SBO (beide circa 8% van de instroom). 

Casussen vanuit de praktijk; dat is waar het om draait

Een theoretische benadering van de ontwikkelingen is voor de beeldvorming natuurlijk interessant. Maar uiteindelijk is dat niet waar het om draait, zeker niet wanneer het gaat om een kwetsbaardere groep leerlingen die gebruik maakt van het (V)SO. Ter verdieping op deze theoretische beschouwing zijn gesprekken gevoerd met een aantal bestuurders van cluster 3 en 4-scholen, de clusters waar de grootste uitdagingen zich momenteel voordoen. Hoewel met cluster 2 op dit moment geen gesprekken gevoerd zijn, geven we toch een beschouwing van de uitdagingen waar dit specifieke cluster voor staat. 

Aart Reussing - Zonnebloemschool Emmeloord


Aart Reussing geeft als directeur-bestuurder leiding aan de Zonnebloemschool in Emmeloord. Een school (met vier vestigingen) voor kinderen met een verstandelijke, psychiatrische, sociaal-emotionele of lichamelijke uitdaging. De na-ijleffecten van de Wet passend onderwijs zijn na 8 jaar nog steeds voelbaar, aldus Aart. De verwachting dat het speciaal onderwijs zou krimpen was er nooit. Dat blijkt ook want de Zonnebloemschool groeit nog steeds in zowel het SO als het VSO. Om deze kinderen toch te kunnen blijven huisvesten wendt Aart onder andere private middelen aan om panden aan te kopen en ruimten bij te huren. Hierdoor is er ruimte om de verschillende doelgroepen van de school de juiste omgeving te kunnen bieden. De autisme-structuurgroepen hebben bijvoorbeeld een eigen vleugel, net als de zorggroepen. Het geeft rust, overzicht en een veilige thuishaven voor de kinderen.

Aart denkt als pionier in het speciaal onderwijs het liefst in mogelijkheden buiten ‘het systeem’. Zijn ideale school is dan ook een omgeving waar kinderen vanaf hun geboorte het recht krijgen op een eigen ontwikkellijn. Dit zou in zijn visie bewerkstelligd kunnen worden door de gelden voor onderwijs en zorg samen te voegen, zodat alles gericht is op de ontwikkeling en ondersteuning van kinderen én ouders. Zolang de huidige scheiding tussen onderwijs- en zorggelden bestaat, het huidige systeem, zal het helaas lastig zijn om deze ideale ontwikkelomgeving te realiseren. 

Voor de toekomst denkt de Zonnebloemschool mee in het ontwikkelen van een Onderwijsexpertise­centrum waar het SO, SBO en specialistische kinderopvang in de gemeente Noordoostpolder onder één dak met specialisten de beste zorg en onderwijs voor kinderen in de leeftijd van 0-12 jaar kunnen bieden. Ook voor het VSO is een toekomstbeeld geschetst: samen met het reguliere VO één campus vormen. De sociale veiligheid van de leerlingen staat hierbij voorop in de verdere uitwerking. Door met meerdere partijen samen op te trekken is het mogelijk om betere faciliteiten te realiseren en gebruik te maken van elkaars expertise. 

Ieder kind heeft recht op een eigen ontwikkellijn.

Aard Reussing

Susan van Proosdij - Stichting Oosterwijs


Susan van Proosdij is bestuurder bij Stichting Oosterwijs. Deze stichting bestaat uit De Sterrenkijker (SO) en De Sonnewijser (VSO), verdeeld over vijf locaties in Uden, Oss en Tiel. Deze scholen verzorgen onderwijs aan leerlingen die vanwege hun gedrag moeilijkheden kunnen ondervinden bij het leren en ontwikkelen. 
De stichting groeit en, mede dankzij de open en vernieuwende blik van Susan, lukt het ook de huisvesting passend te maken aan de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van de leerlingen. Door krachten te bundelen met HUB Oss kan het speciaal onderwijs in Oss ontschotten en ontstaat er een omgeving die het beste onderwijs en de beste ondersteuning kan bieden aan een grote, groeiende groep kinderen. Door samen op te trekken gaat de macht van de grote getallen werken en is het bijvoorbeeld wél mogelijk om goede praktijklokalen in te richten voor de leerlingen in de uitstroom richting arbeid of dagbesteding. Ook kunnen er hierdoor gedeelde zorg- en ondersteuningsruimten worden gerealiseerd. 

Het is van belang dat het schoolgebouw meerwaarde heeft voor de omgeving, zowel overdag als buiten schooltijden. Door de buurt de school in te halen én met leerlingen de buurt in te gaan wordt een gemeenschap gecreëerd die meer biedt dan een school alleen ooit zou kunnen bieden. 

Susan is een nevenvestiging van het VSO op het reguliere voortgezet onderwijs gestart en zou dat graag nog verder uit willen breiden naar meerdere locaties. Een vorm van inclusiever onderwijs waar tevens een veilige tussenstap tussen het VSO en het MBO of zelfs HBO gerealiseerd kan worden. Organisatorisch komen hierbij echter wel de nodige uitdagingen kijken. 

Een gebouw kan een derde pedagoog zijn.

Susan van Proosdij

Nathalie Schotanus – Stichting Herman Broerenschool Roermond


Nathalie Schotanus is directeur-bestuurder van de Herman Broerenschool in Roermond. Deze school is gespecialiseerd voor kinderen met een ontwikkelachterstand in de leeftijd van 4 tot 20 jaar. De Herman Broerenschool heeft twee nabijgelegen locaties (SO en VSO) en een apart praktijklokaal in het nabij­gelegen gezondheidscentrum ‘De Boog’. Zowel de SO-locatie als de VSO-locatie van de Herman Broerenschool is sterk verouderd en beide locaties groeien enorm uit hun jasje. Alle mogelijke interne aanpassingen om meer ruimte te genereren voor de groeiende stroom leerlingen zijn inmiddels uitgevoerd. Kantoren zijn ingeleverd, ruimten zijn in tweeën gedeeld, de aula is ingericht met therapieruimten en pauzes worden gehouden in de lokalen; alles om de kinderen het onderwijs en de ondersteuning te bieden waar ze recht op hebben. 
De school is al enkele jaren in gesprek met de gemeente Roermond over aanpassingen aan beide gebouwen. Het IHP geeft hoop dat er op relatief korte termijn vernieuwing plaats kan gaan vinden. 

Een schoolgebouw moet niet gezien worden als een soort huis, maar als een ‘thuis’ waar leerlingen en teamleden zich veilig voelen.

Nathalie Schotanus

Spanningsveld binnen cluster 2 

De instellingen die leerlingen met auditieve beperkingen of een taalontwikkelingsstoornis onderwijs en ondersteuning bieden, hebben te maken met een gebudgetteerd ondersteuningsbudget. Dit budget is gebaseerd op het aantal leerlingen op de teldatum van 1 oktober 2011. Doordat er nu, elf jaar later, steeds meer leerlingen zijn met deze indicatie, lopen besturen tegen een bekostigings­probleem aan en zitten kinderen thuis óf op de verkeerde plek. Dit terwijl juist deze groep, voor een groot gedeelte, met de juiste ondersteuning en aanpassingen goed mee zou kunnen binnen het reguliere onderwijs. 
Dit laatste zorgt tegelijkertijd ook voor uitdagingen op de ‘fysieke’ VSO-locaties binnen cluster 2. Teruglopende leerlingenaantallen maken dat het onderwijsaanbod en de bedrijfsvoering van deze scholen steeds meer onder druk komen te staan. In toenemende mate is dan ook de trend zichtbaar van het ontstaan van ‘school-in-school’-constructies; een ontwikkeling die primair gemotiveerd wordt vanuit de gedachte aan ‘inclusief onderwijs’ maar die ook qua bedrijfsvoering verlichting kan bieden. Ook hier geldt helaas dat er verschillende organisatorische hindernissen genomen moeten worden om deze vormen van samenwerking voor elkaar te krijgen. 

Om wachtlijsten in de ondersteuning van leerlingen te verkorten, wordt er in het land aan verschillende creatieve oplossingen gedacht:

  • Inclusief onderwijs vergroten; leerlingen met lichte ondersteuning sneller terug laten stromen naar het regulier onderwijs. Dit vraagt wel om een conceptuele verandering bij leraren in cluster 2 én die in het reguliere onderwijs.
  • Het verlengen van het SO om daarmee de kans op een succesvolle instroom op het reguliere VO te vergroten.
  • Samenwerkingen aangaan met het regulier onderwijs, bijvoorbeeld taalklassen. 
     

Slotwoord

Zijn er echt meer kinderen die behoefte hebben aan speciaal onderwijs? De cijfers laten het zien, maar heeft deze groei niet een andere oorzaak? De werkdruk in het onderwijs is zo ontzettend hoog; waar er vroeger voldoende tijd en menskracht was om een kind extra aandacht te geven, mogen scholen tegenwoordig al blij zijn als ze voor elke groep een docent hebben staan. De kinderen die extra aandacht nodig hebben, vallen tussen de wal en het schip. De voor de hand liggende oplossing: het speciaal onderwijs. Het thuisnabij onderwijs dat hoog op de verlanglijst staat komt hiermee in het geding. Het probleem wordt verlegd van het regulier onderwijs naar het speciaal onderwijs, waar de werkdruk zeker niet lager is. De echte oplossing ligt dus in de menskracht, maar hoe maken we het onderwijs weer aantrekkelijk voor de nieuwe generatie leerkrachten?

Verder lezen

Betrokken experts 


Yvon Ketelaars
Senior Adviseur

Pim Bressers
Adviseur

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.