of 63000 LinkedIn

Raadsakkoord als lichtend voorbeeld voor ‘Den Haag’

© Shutterstock
© Shutterstock

Het sluiten van een ‘akkoord op hoofdlijnen’ is in gemeenteland steeds vaker gemeengoed. Uit onderzoek van hoogleraren Geerten Boogaard, Marijn van der Steen en staatsrechtsdeskundige Lianne van Kalken blijkt dat het aantal gemeenten dat met een zogeheten raadsakkoord werkt tussen 2014 en 2018 ruim is verdubbeld – van 22 naar 56 gemeenten.

Samen schreven zij in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden het rapport Routekaart voor raadsakkoorden. Daarin zetten ze alternatieven voor gangbare coalitieakkoorden op een rij – zoals die door gemeenten worden gebruikt – en analyseren die. Een variant die in opmars is, is het raadsakkoord. Daarbij bepalen niet alleen de coalitiepartijen de beleidsagenda voor de collegeperiode, maar de gemeenteraad als geheel – of in elk geval bijna alle raadsfracties. Aan het college van burgemeester en wethouders is het vervolgens om die agenda uit te voeren. Een beweging die volgens de auteurs ‘zorgt voor verandering in het hart van de lokale democratie.’


Versnippering
In de meeste gemeenten – 289 van de 355 – wordt weliswaar nog steeds gewerkt met traditionele coalitieakkoorden, maar mede door de versnippering van het politieke landschap wordt er meer en meer geëxperimenteerd met alternatieve manier van samenwerken. De auteurs onderscheiden zes verschillende types, waarvan de meeste de ambitie hebben om colleges minder machtig maken, verhoudingen tussen coalitie en oppositie minder scherp maken en verhoudingen tussen raad en samenleving flexibeler.

Botsen en schuren
De redenen om tot een raadsakkoord te komen, kunnen divers zijn. In de ene gemeente wordt er voor gekozen in de hoop eindelijk als raad gezamenlijk weer in gesprek te komen, in plaats van voortdurend botsen en schuren van oppositie met coalitie. ‘Raadsakkoorden drukken dan een zucht naar gezamenlijkheid uit’, aldus de auteurs. ‘In de andere gemeente kan juist het uitblijven van felle politieke debatten als een probleem worden ervaren. Daar ervaart men als probleem dat in het coalitieakkoord alles is voorgekookt, waardoor politiek debat geen zin heeft. Met een raadsakkoord hoopt die gemeenteraad dan dat er met het werken met wisselende meerderheden juist weer fellere politieke debatten opflakkeren. Dat er weer openlijke discussie is over de grote kwesties in de stad en de mogelijke oplossingen die daarvoor zijn.’

Weer andere gemeenten beogen vooral de toenemende dominantie van het college in hun gemeente te breken. Zij kiezen dan voor een raadsakkoord met een college waarin wethouders die niet gebonden zijn aan politieke partijen in opdracht van de gehele raad het raadsprogramma uitvoeren. Zo begint de route naar een raadsakkoord volgens de auteurs niet bij ‘het akkoord’ zelf, maar bij een vraag die daar ver vóór zit: wat is eigenlijk het probleem waarvoor het raadsakkoord een oplossing biedt?

Twee kampen
Uit een enquête onder gemeenten die ervaring hebben met een raadsakkoord, blijkt dat er sprake is van meer gezamenlijke ambitie en een constructieve(re) samenwerking. Veruit de meest genoemde positieve ervaring is de overbrugging van de tegenstelling tussen de oppositie en de coalitie. ‘Tijdens het werken met een raadsakkoord zijn er volgens respondenten niet twee vaste kampen, maar is iedereen in potentie betrokken. Er is niet een vaste groep partijen die én de wethouders levert én de agenda voor de komende jaren heeft bepaald in een coalitieakkoord. In plaats daarvan is er ruimte voor wisselende meerderheden en zoeken raadsleden per onderwerp gaandeweg naar oplossingen voor de problemen en komen ze daarvoor tot wisselende meerderheden. Daarmee is er per onderwerp een coalitie en een oppositie. Dat heeft volgens veel respondenten als voordeel dat ze zich meer betrokken voelen, dat ze zich meer actief en constructief kunnen tonen, en dat ze zich minder geforceerd voelen om het met andere partijen ‘oneens’ te zijn. Ze vinden hun rol meer constructief en actief op deze manier’, aldus de auteurs.

Stoeptegeloverleg
Een ander veel genoemd positief punt  is dat er minder onnodige debatten of zogeheten stoeptegeloverleg plaatsvindt – of zoals een respondent het verwoordt: er is aanmerkelijk minder geneuzel. ‘Omdat partijen elkaar op heel veel punten hebben gevonden hoeven ze over veel dingen waar ze het eigenlijk gewoon over eens zijn het niet meer te hebben. Daarmee kan de politieke discussie zich richten op de thema’s waar partijen écht verschillende ideeën hebben.’ Negatieve ervaringen zijn er ook, zoals met name het snel weer terugvallen in oude patronen. Over hoe daarmee om te gaan en andere valkuilen te omzeilen, geeft het rapport door middel van een 4-stappenplan een aantal praktische tips.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Pauline (Raadsadviseur) op
Hallo,
Waar kan ik het rapport vinden?

Vacatures

Van onze partners