Advertentie

De staat van de dualisering (2)

Mijn vorige bijdrage over de staat van de dualisering eindigde met de conclusie dat de institutionele dualisering maar het halve verhaal is.

14 november 2008

Dat veel gemeenteraden hun politieke zelfvertrouwen door de dualisering hebben opgepoetst, geeft nog geen enkele garantie dat de verbinding tussen de gemeentepolitiek en de lokale samenleving ook een nieuwe en betere inhoud heeft gekregen. Door hun nieuwe duale positie zijn veel gemeenteraden verwikkeld geraakt in een tijdverslindende ‘Papierkrieg’ met de colleges van B en W, waardoor in veel gevallen de tijd ontbreekt om aan de volksvertegenwoordigende functie voldoende inhoud te geven. Toch is er een dringende noodzaak de komende tijd vooral aan dat aspect meer aandacht te geven.

 

Aan de interne inclusiviteit (beslotenheid) van de politieke besluitvorming is voor een deel een einde gekomen. De gemeenteraden functioneren weer beter als openbaar politiek forum. Nu komt het er op aan ook de beslotenheid naar buiten toe – de externe inclusiviteit - te doorbreken. De gemeentepolitiek isoleert zich nog te veel van de lokale samenleving. Willen met name politieke partijen een einde maken aan hun eroderende positie, dan zal vooral vanuit die hoek moeten worden omgezien naar nieuwe vormen van politiek bedrijven. Waar de burgers betrokken zijn, wordt dit nu in de regel georganiseerd door de bestuurders. Er wordt inspraak gegeven of op andere manieren krijgen burgers en maatschappelijke organisaties de gelegenheid om van hun standpunten te doen blijken. In veel gevallen staan gemeenteraden, fracties en politieke partijen hierbij geheel buiten spel, waardoor de gemeentepolitiek als zodanig in een verder isolement dreigt te geraken.

 

Er zijn echter allerlei manieren om hier verandering in aan te brengen. Dit zou moeten gebeuren op basis van het belangrijke uitgangspunt dat politieke partijen geen monopolie meer hebben op de voorbereiding van de politieke besluitvorming. Zonder de aanwezigheid van politieke partijen kan de lokale democratie echter niet goed functioneren en daarom moet worden uitgekeken naar manieren om de bevolking en de maatschappelijke organisaties sterker bij de gemeentepolitiek te betrekken

 

Indien politieke partijen en fracties daarbij het voortouw nemen en ook gemeenteraden als geheel hier initiatieven ontplooien, dan is die betrokkenheid niet alleen voor de burgers van betekenis, maar levert het ook een sterkere positie op voor de lokale (partij)politiek. In diverse gemeenten is met deze vormen van betrokkenheid geëxperimenteerd, maar nog niet op een erg gestructureerde manier.

 

Er zijn echter al wel goede aanknopingspunten. Referenda kunnen een aanknopingspunt bieden. De vorming van een politieke jaaragenda is ook een goed voorbeeld. Daarbij worden ieder jaar door de gemeenteraad twee of drie grote projecten geselecteerd, zoals bijvoorbeeld de aanleg van een nieuwe woonwijk. Burgers en organisaties worden bij de politieke besluitvorming betrokken; fracties en partijen nemen standpunten in op de daarvoor geëigende en aangewezen momenten; en het college bereidt voor en voert uit.

 

Hierdoor – en door andere methoden - wordt de gemeenteraad uit zijn politieke isolement gehaald. Politieke partijen, raadsfracties en gemeenteraden behouden een verantwoordelijkheid voor de uiteindelijke politieke besluiten, maar de lokale samenleving is daar op allerlei manieren intensief bij betrokken, zodat aan de verwijdering tussen beide een einde kan worden gemaakt en de legitimatie van de gemeente als partijpolitieke arena een nieuwe invulling kan krijgen.

 

Wordt die route niet gevolgd dan komt die partijpolitieke arena in een steeds moeilijker vaarwater. In algemene zin kan worden geconstateerd dat burgers en maatschappelijke organisaties een grote belangstelling hebben om deel te nemen in vormen van maatschappelijke democratie. Bij onderwijs is er een grote betrokkenheid van ouders. De directe leef- en werkomgeving stimuleert participatie die – mits deze goed is georganiseerd - verder kan gaan dan zuivere belangenbehartiging. Het lokale bedrijfsleven heeft een hoge organisatiegraad. De politieke en de maatschappelijke democratie moeten beter op elkaar worden afgestemd. Dat is de enige manier om de institutionele en formele dualisering ook daadwerkelijk tot een succes te maken.

 

Zie ook: De staat van de dualisering (1)

 

Douwe Jan Elzinga is hoogleraar Staatsrecht aan de RU Groningen

 

Reacties: 2

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Ed Kerkhoff / raadsadviseur gemeente ‘s-Hertogenbosch
Er is een dringende noodzaak om de komende tijd meer aandacht te geven aan de volksvertegenwoordigende functie van de raad, aldus Elzinga. Hij roept de politiek op om meer werk te maken van contacten met burgers en maatschappelijke organisaties. Tegelijkertijd stelt hij vast dat veel gemeenteraden door hun nieuwe duale positie verwikkeld zijn geraakt in een tijdverslindende Papierkrieg waardoor vaak de tijd ontbreekt om aan de volksvertegenwoordigende functie voldoende inhoud te geven.

De paradoxale situatie die hij daarmee schetst, is evident: de oorzaak van deze interne gerichtheid ligt in het dualisme zelf. Wat als oplossing is gepresenteerd, blijkt nu een deel van het probleem te zijn. De belofte van het dualisme wordt daarmee niet ingelost. Opmerkelijk is dat Elzinga met zijn oplossingsrichtingen het probleem negeert dat hij zelf schetst. Zijn suggestie om aandacht te vragen voor zaken als referenda of een politieke jaaragenda maakt niet helder hoe daarmee een mogelijke pacificatie in de Papierkrieg in zicht komt.

Als tijdgebrek inderdaad het probleem is waar raadsleden mee te kampen hebben, dan ligt het voor de hand om in die richting de oplossingen te zoeken: stop met de vraag naar meer en betere informatie, stop met het aanbieden van opgeleukte vergaderarrangementen als ‘politieke markten’ waarmee slechts een gering aantal burgers naar het stadhuis wordt gelokt en investeer vooral niet in jaaragenda’s, planningen en andere bureaucratische equivalenten waarop de ambtelijke organisatie het primaat heeft.

Schrap de helft van de vergadertijd en benut de tijd die daardoor vrijkomt om de relatie met de burger te herstellen! Maar waarschijnlijk is deze praktische benadering evenmin afdoende om de volksvertegenwoordigende rol meer inhoud te geven. De tijd is aangebroken voor een meer principiële reflectie op het dualisme. Het vergt wellicht wat moed, maar laten we onder ogen zien dat dualisering - om in termen van de bestuurskundige Paul Frissen te spreken - niet meer dan een institutionele fantasie is: een poging om politiek te revitaliseren in relaties van delen van de politieke institutie en door nieuwe vormen van betrokkenheid van burgers.

Een fantasie die feitelijk niet meer dan een dagdroom blijkt te zijn. Het moment is aangebroken om te ontwaken en naar de gemeentepolitiek te kijken vanuit een pluralistisch perspectief, dat erkent dat burgers via verschillende kanalen verbonden zijn met collectieve besluitvorming. Een perspectief dat erkent dat de rol van de gemeenteraad betrekkelijk bescheiden is.
Krijn van der Heijden / raadsgriffier Zutphen
Raad bepaald steeds meer eigen agenda 28.11.08 • 0 reacties In een tweetal columns neemt Douwe Jan Elzinga de staat van de dualisering onder de loep. Hij ziet dat binnen de gemeente, met name in de verhouding tussen raad en college, vorderingen zijn gemaakt. Tegelijkertijd constateert hij dat er nog steeds te veel sprake is van beslotenheid naar buiten toe. Met deze hoofdconclusies ben ik het eens. Maar met name naar aanleiding van zijn tweede column wil ik een paar nuanceringen plaatsen. Ten eerste is het de vraag of de raad meer contacten met de burgers zou kunnen onderhouden. Natuurlijk wel de fracties, de politieke partijen. Die doen dat ook, meer of minder actief, door avonden te organiseren, bezoeken af te leggen, op de markt te staan enzovoort. Maar het valt voor de raad ‘als raad’ niet mee om zich te profileren. Er zijn diverse pogingen gedaan: werkbezoeken, huiskamergesprekken, wijkontmoetingen. Dat gebeurt met matig succes. Want wat de burger écht interesseert (overlopende riolen, veiligheid, hondenpoep, overlast jongeren, groen, wegen) daar gaat de raad niet over. Elzinga weet als geen ander dat er een grote bevoegdheidsverschuiving heeft plaatsgevonden richting college. Het is dan ook inderdaad het college dat doorgaans inspraakavonden, voorlichtingen en meepraatsessies organiseert. Als de raad dit betrekken van de burger zou gaan organiseren, zou hij het college hopeloos voor de voeten lopen. De raad gaat wel over de hoofdlijnen van het beleid. Dus Elzinga’s suggestie van een referendum en inspraak over een nieuwe stadswijk zijn op zichzelf terecht. Maar een nieuwe stadswijk bouw je eens in de twintig of dertig jaar. Politieke jaaragenda’s zijn ook een goede gelegenheid om de burger te betrekken. Alleen moet de raad zich daarbij tot hoofdlijnen beperken. Onze praktijk leert dat de fracties ieder hun eigen opvatting en invalshoek inbrengen. Na het debat is het een taak van het college (en niet van de raad) om met een plan te komen dat acceptabel is voor een zo groot mogelijke meerderheid in de raad. Bovendien bevindt het debat zich vaak op een abstracatieniveau waar een gewone burger bij in slaap valt. Ten tweede vraag ik mij af of Elzinga’s stelling juist is dat ‘de raad’ niet aankomt bij de burger. In mijn dagelijkse praktijk maak ik mee, dat burgers wel degelijk zeer betrokken is als er zaken aan de orde zijn die hen raken – zoals een verkeersplan of een winkelcentrum. Verder zitten er iedere vergadering weer ingekomen brieven in de map van burgers die de raad weten te vinden. Ook burgers die op uitnodiging ‘gast van de raad’ zijn, zijn enthousiast. Kortom, ik ben iets minder pessimistisch over de relatie tussen de burger en de raad. Ten derde is het de vraag of de raad als bestuursorgaan in het kader van inspraak en medezeggenschap wel zo nodig een rechtstreekse band met de burger zou moeten onderhouden. Misschien wordt het tijd om meer vanuit ‘de gemeente’ te gaan denken dan vanuit de bestuursorganen college en raad (en de burgmeester, natuurlijk). Het gaat er tenslotte om dat de gemeente de burger betrekt. En dat raad en college, ieder vanuit hun rol, verantwoordelijkheid en bevoegdheid, voor de gemeente de juiste dingen doen. Als fracties daar te dicht op gaan zitten door in de voorbereidingsfase stelling te nemen, dan ontstaat ook nog het gevaar dat raadsleden de handen niet meer vrij hebben bij de besluitvorming. Trouwens, hoeveel burgers weten als puntje bij paaltje komt het verschil tussen de raad en het college? Zoals ik al opmerkte is het een taak van de politieke fracties om dicht bij de burger te staan. Zij zijn de antennes in de samenleving. Je ziet dat de raad sinds de dualisering steeds meer zijn eigen agenda gaat bepalen. Het regent in mijn gemeente moties, die even zo vele initiatieven vanuit de raad aan de orde stellen. Het is deze politieke voelsprietenfunctie die nog verder uitgebouwd moet worden. In die zin ben ik het met Elzinga eens. Dit kost veel tijd en werk, dat met een handjevol mensen moet worden gedaan. Laten de voorstanders van een kleinere gemeenteraad zich dit realiseren.
Advertentie