of 61043 LinkedIn

‘Injecties’ zetten rem op vernieuwing jeugdzorg

De subsidies van Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) aan noodlijdende jeugdzorgaanbieders hebben een ‘dempende werking’ gehad op de ontwikkeling van het zorglandschap. Het zette tegelijkertijd een rem op de zorgvernieuwing. Dat blijkt uit de evaluatie van de TAJ die in opdracht van VWS is uitgevoerd door Andersson Elffers Felix (AEF).

De Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ) heeft in haar werkperiode (2014-2018) meer oog gehad voor de noden van de zorgaanbieders dan voor die van gemeenten. De subsidies van de TAJ aan noodlijdende jeugdzorgaanbieders hebben een ‘dempende werking’ gehad op de ontwikkeling van het zorglandschap.   

Schaalvergroting

Dat was deels wenselijk, maar het heeft tegelijkertijd een remmende werking gehad op de zorgvernieuwing en op de ontwikkeling in de relaties tussen gemeenten als opdrachtgever en jeugdhulpaanbieders als opdrachtnemers. Het werk van de TAJ, met het doel zorgcontinuïteit te realiseren, heeft bijgedragen aan de schaalvergroting bij jeugdhulpaanbieders, door fusies en overnames. Een dergelijke ontwikkeling was vanuit het perspectief van rijk en gemeenten niet altijd gewenst. Dat blijkt uit de ‘Evaluatie Transitie Autoriteit Jeugd (TAJ)’ die onlangs naar de Kamer is gestuurd. De evaluatie is in opdracht van het ministerie van VWS uitgevoerd door adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF).

 

Zorgcontinuïteit

De TAJ had twee hoofdtaken. Zij moest de zorgcontinuïteit garanderen toen de jeugdhulp in 2015 naar gemeenten werd gedecentraliseerd. Daarnaast moest ze voorkomen dat essentiële functies van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdbescherming zouden verdwijnen. Volgens AEF is de TAJ, onder meer via (liquiditeits)steun, effectief geweest in het realiseren van zorgcontinuïteit. AEF concludeert dat de TAJ aan haar taakopdracht heeft voldaan, maar plaatst dus wel enkele kanttekeningen.

 

Transformatie

Zo hebben de interventies van de TAJ in beperkte mate tot duurzame effecten ‘in het landschap van de jeugdhulp’ geleid, stelt AEF. Door de focus op zorgcontinuïteit was er minder aandacht voor de transformatie. Ook was de inzet van de TAJ meer gericht ‘op de noden van aanbieders dan op die van gemeenten in hun opdrachtgevende rol.’ Vaak werden gemeenten pas relatief laat bij advisering en bemiddeling betrokken.

 

Precaire situatie

Een minpuntje vindt AEF eveneens dat instellingen die via bemiddeling van de TAJ (liquiditeits)steun hebben ontvangen, niet structureel zijn gevolgd in hun ontwikkeling. ‘Hierdoor ontbreekt structureel inzicht in hoe het instellingen verging na bemiddeling van de TAJ of nadat zij (liquiditeits)steun hadden ontvangen’, aldus de evaluatie. Omdat instellingen pas (financiële) steun kregen als ze in een precaire financiële positie waren beland, konden zij weliswaar de zorgcontinuïteit borgen, maar hadden zij nog nauwelijks geld om te investeren in innovatie en de verbetering van de kwaliteit van zorg. Dat is iets dat de opvolger van de TAJ, de Jeugdautoriteit, in ogenschouw moet nemen, adviseert AEF. Ook moeten bij problemen in een vroeger stadium aanbieder en gemeenten bij elkaar worden gebracht, zodat zij eventueel gezamenlijk een subsidieaanvraag kunnen indienen.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.