Advertentie

Weerlegging bewijsvermoeden verkeerd aangeboden huisvuil

Aannemelijk maken tegendeel voldoende.

Vuilnisauto

Op 1 juni 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in een drietal uitspraken meer duidelijkheid gegeven over de manier waarop het tegendeel aannemelijk gemaakt kan worden in geval van bewijsvermoeden bij verkeerd aangeboden huisvuil (de zogenaamde vuilniszakkenjurisprudentie).

Overtreder

Uit vaste  rechtspraak van de Afdeling volgt dat ervan mag worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt (zie o.a. ABRvS 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1630).

Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval door middel van een daarin aangetroffen poststuk tot een bepaalde persoon is te herleiden, mag er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij derhalve de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Voor het mogen hanteren van dit bewijsvermoeden is voldoende dat in het afval één tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen (zie o.a. ABRvS 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1630).

Bewijsvermoeden weerleggen als betrokkene is lastig

Aan de vaststelling dat in het afval een tot de betrokkene te herleiden poststuk is aangetroffen, dient op grond van de jurisprudentie van de Afdeling een rapportage van de toezichthouder die het onjuist aangeboden afval heeft aangetroffen ten grondslag te liggen, met een voldoende duidelijke foto van het poststuk. Daarbij mag ervan worden uitgegaan dat het afval door de toezichthouder volledig is doorzocht en dat geen poststukken van derden zijn aangetroffen. Het bevoegd gezag is op grond van de jurisprudentie niet verplicht het afval te bewaren om het bewijsvermoeden te mogen hanteren.

In ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432, overwoog de Afdeling dat voor dit bewijsvermoeden en de daaruit voortvloeiende bewijslastverdeling tussen het bevoegd gezag en de betrokkene, door de Afdeling weloverwogen is gekozen. Daarbij is onderkend dat het voor de betrokkene lastig of zelfs onmogelijk kan zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Ook is onderkend dat dit bewijsvermoeden anders is dan bewijsvermoedens die in andere rechtsgebieden binnen het bestuursrecht worden gehanteerd.

Aannemelijk maken tegendeel

In de drie uitspraken van 1 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1550ECLI:NL:RVS:2022:1554 en ECLI:NL:RVS:2022:1558) heeft de Afdeling een nadere uitleg gegeven over het aannemelijk maken van het tegendeel ingeval er sprake is van het hiervoor bedoelde bewijsvermoeden. De Afdeling licht dit als volgt toe.

Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot iemand te herleiden zijn, in eerste instantie voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Vervolgens wordt de bewijslast omgekeerd en is het aan diegene om het bewijsvermoeden te weerleggen en het tegendeel aannemelijk te maken. Het bewijsvermoeden houdt dus in dat de omstandigheid dat de afvalstoffen tot iemand te herleiden zijn, het vermoeden oplevert dat diegene de overtreder is, maar dat vermoeden kan vervolgens weerlegd worden door diegene. Het mogen hanteren van het bewijsvermoeden houdt geen risicoaansprakelijkheid in, in die zin dat degene tot wie de afvalstoffen te herleiden zijn zonder meer als overtreder moet worden aangemerkt, ook als aannemelijk wordt dat diegene de overtreding niet heeft gepleegd.

Bewijs hoeft niet waterdicht te zijn

Vervolgens geeft de Afdeling aan dat voor het weerleggen van het bewijsvermoeden geen onomstotelijk tegenbewijs nodig is, maar dat voldoende is dat het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.

Daarna worden twee voorbeelden genoemd:

  • Dat kan een betrokkene bijvoorbeeld doen door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder zijn toedoen, belanden van de aangetroffen afvalstoffen op die plek.
  • Ook zou een betrokkene met objectieve omstandigheden aannemelijk kunnen maken dat hij niet in de gelegenheid was om de aangetroffen afvalstoffen op die plek achter te laten.

Als diegene daarmee genoeg twijfel zaait over de aanname op grond van het bewijsvermoeden dat hij de overtreder is, dan is het vervolgens weer aan het bestuursorgaan om die twijfel en het geleverde tegenbewijs te weerleggen. In dat geval kan het bestuursorgaan niet langer volstaan met een beroep op het bewijsvermoeden.

In de drie zaken van 1 juni 2022 komt de Afdeling tot het oordeel dat de inwoners voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet degenen zijn geweest die het afval verkeerd hadden aangeboden. Het gevolg hiervan is dat de gemeente de kosten voor het opruimen van het huisvuil niet op hen mag verhalen.

Twijfel zaaien is dus voldoende

Uit de drie uitspraken van 1 juni 2022 volgt expliciet hoe de Afdeling zal omgaan met het bewijsvermoeden en hoe het tegendeel aannemelijk gemaakt kan worden. Onomstotelijk tegenbewijs is daarvoor niet nodig, genoeg twijfel zaaien is voldoende. Daarmee neemt de Afdeling nu duidelijk stelling ten aanzien van een lijn die in eerdere jurisprudentie eigenlijk ook al werd toegepast. Zie in dit kader bijvoorbeeld mijn annotatie in BR 2021/51, waarin ik al opmerkte dat een appellant met een logisch en plausibel verhaal aannemelijk kan maken dat hij of zij geen overtreder is, maar dat niet ieder ‘zielig verhaal’ de aannemelijkheidstoets van de Afdeling passeert.

Vragen?

Heb je vragen op het gebied van handhavingsrecht? Neem dan contact op met Chantal van Mil.

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.

Advertentie