of 59345 LinkedIn

Het doorbreken van de handhavingsimpasse

Het overkomt menig rechtzoekende. Het naastgelegen bedrijfspand is zonder vergunning uitgebreid of ineens door een supermarkt in gebruik genomen. De buren zijn plotseling vertrokken en hebben zeven studerende en feestende kamerbewoners onderdak verleend. Maar niet nadat de bovenverdieping grondig is verbouwd tot een zelfstandige etage met mooie inkijk in de achtertuin.

Het blijkt allemaal in strijd met het bestemmingsplan te zijn. Maar nadat een handhavingsverzoek is ingediend en wellicht zelfs al bezwaar is gemaakt tegen de weigering om een last onder dwangsom op te leggen, komt de gemeente met het voornemen om de illegale activiteiten alsnog te vergunnen. Nog voordat de beslissing op bezwaar wordt genomen door het college van B en W zorgt hetzelfde college ervoor dat er eerst een legaliserend bestemmingsplan in ontwerp ter inzage wordt gelegd. Het bezwaarschrift wordt vervolgens ongegrond verklaard omdat er sprake is van “concreet zicht op legalisatie”. De rechtzoekende vist achter het net.

 

Ondertussen kan het lang duren voordat het legaliserende bestemmingsplan ook daadwerkelijk wordt vastgesteld. Tot die tijd heeft de rechtzoekende het gevoel dat hij weinig kan ondernemen. Hij heeft weliswaar een zienswijze ingediend, maar hij kan pas beroep indienen tegen de legalisering nadat het bestemmingsplan is vastgesteld. Dat is dus afwachten, terwijl de illegale activiteiten ondertussen voortduren. 

 

Een Limburgse ondernemer raakte recent in een soortgelijke situatie verzeild. Hij exploiteert een tankstation met supermarkt. Iets verderop zijn twee supermarkten en een drogisterij gevestigd, in strijd met het bestemmingsplan. Er is al een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd om dit te legaliseren. Zijn handhavingsverzoek is daarom afgewezen.

 

Hij laat het er niet bij zitten. Wanneer een jaar na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan nog steeds niks is gebeurd, besluit hij de gemeenteraad in gebreke te stellen. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt immers dat de gemeenteraad moet beslissen over de vaststelling van een bestemmingsplan binnen twaalf weken nadat de terinzagelegging is afgerond. Die termijn is al vier keer verstreken. Zijn ingebrekestelling laat de gemeenteraad echter niet harder lopen. De exploitant stelt daarom beroep in wegens het uitblijven van een besluit.

 

De gemeenteraad stuurt bij de Raad van State aan op niet-ontvankelijkheid. De gehanteerde argumentatie is zo gek nog niet. De gemeenteraad stelt dat de exploitant geen belang heeft bij een procedure over het al dan niet tijdig beslissen op het bestemmingsplan, omdat hij nu juist géén wijziging nastreeft van de juridische situatie. Hij wil immers dat de supermarkten niet worden gelegaliseerd, zodat vaststelling van het bestemmingsplan voor hem juist ongunstig zou zijn. Eerdere jurisprudentie lijkt de gemeenteraad gelijk te geven.

 

De Raad van State constateert echter een belangrijk verschil met eerdere rechtszaken. Deze exploitant heeft juist een specifiek belang bij de vaststelling van het bestemmingsplan, omdat hij daarmee de impasse wil doorbreken die is ontstaan met de terinzagelegging van het ontwerpplan. Hij heeft belang bij een officieel besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, zodat hij dat in rechte kan aanvechten. Lukt het hem om het bestemmingsplan te laten vernietigen, dan zal daarna immers ook handhavend moeten worden opgetreden.

 

Ook al is hij dus slechts concurrent, hij kan wel degelijk een besluit van de gemeenteraad afdwingen. De Afdeling verklaart zijn beroep gegrond en bepaalt dat de gemeenteraad alsnog binnen 11 weken moet beslissen.  Voor iedere dag dat het langer duurt verbeurt de gemeente een dwangsom van € 250,00 met een maximum van € 37.500,00.

 

Nu deze procesgang open blijkt te staan voor derden hebben zij een krachtig middel om de druk er op te houden in handhavingsprocedures. Een gemeente kan tijd rekken door een legaliserend bestemmingsplan ter inzage te leggen, maar er moet dan wel binnen de wettelijke beslistermijn van 12 weken vervolgactie worden genomen. Oplettende rechtzoekenden weten nu met welke stok ze moeten slaan.

 

 

Bron: ABRvS 24 oktober 2012 (nr. 201208560/1/R1) en 10 november 2010 (nr. 201000372/1/H1)

 

Lees ook de vorige columns van Daniëlla Nijman

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.