of 61043 LinkedIn

Europese pensioenen ratjetoe

‘De nood voor pensioenhervormingen is een internationaal probleem, maar vereist nationale oplossingen’, zegt de Aitor Emaldi, secretaris-generaal van EAPSPI, een Europees kennisplatform voor pensioeninstituten in de publieke sector. De Spanjaard ziet een trend naar individualisering wat betreft risico. ‘Persoonlijk vind ik dat een probleem.’

‘De nood voor pensioenhervormingen is een internationaal probleem, maar vereist nationale oplossingen’, zegt de Aitor Emaldi, secretaris-generaal van EAPSPI, een Europees kennisplatform voor pensioeninstituten in de publieke sector. De Spanjaard ziet een trend naar individualisering wat betreft risico. ‘Persoonlijk vind ik dat een probleem.’

Knippen en plakken kan niet

Ons pensioensysteem kent drie pijlers. De eerste pijler verzorgt de overheid (en wordt in hetzelfde jaar betaald door de beroepsbevolking – in Nederland is dat de AOW), de tweede pijler verzorgen de werkgevers (betaald door de werkgever en de werknemers) en de derde pijler bestaat uit persoonlijke pensioenregelingen. We vroegen Aitor Emaldi naar de laatste trends op het gebied van pensioenstelsels.

Zijn er trends in Europese pensioenstelsels?
‘Er is een beweging weg van collectief risico in de tweede pensioenpijler naar individueel risico. In de tweede pijler is risico meestal collectief, maar de trend is een beweging naar individueel risico. Het zal misschien gedeeld blijven, maar steeds vaker wordt een investeringskeuze van individuen verwacht. Het probleem daarbij is dat een individu, om de juiste keuze te maken, moet weten hoe de zaken in elkaar steken. En dat is moeilijk. In een individueel systeem is de kans op het maken van een incorrecte keuze waarschijnlijker. Persoonlijk vind ik dat een probleem: het systeem moet bepalen welke keuzes burgers kunnen maken – tussen pensioenfondsen en verzekeraars – afhankelijk van het nationale pensioenstelsel.

De vervangingsratio’s [de verhouding tussen het ontvangen pensioen en het verdiende inkomen – red.] dalen overal in Europa dankzij budgetbeperkingen, demografie en lage rente. Het gevolg is een beweging naar de tweede en derde pijler. Spanje, zeg ik als inwoner, had vijftien jaar geleden een vervangingsratio van 90 procent. Nu is dat zo’n 80 procent. Om de levensstandaard na pensionering gelijk te houden, is 80 tot 85 procent nodig. Het vooruitzicht voor Spanje voor de komende dertig jaar is een daling naar 55 procent. Er zou een tweede pijler kunnen worden toegevoegd. Nederland is zeer sterk op dit gebied en dat is waarom jullie altijd zo hoog scoren op internationale ranglijsten.

In de laatste twee edities van de Melbourne Mercer Global Pension Index stond Nederland weer op de eerste plaats, nadat Denemarken een paar jaar de hoogste plek voor zich had opgeëist.’

Wat zijn de uitdagingen voor pensioenen in Europa?
‘Er moeten om verscheidene redenen pensioenhervormingen komen. Het is een internationaal probleem, maar het vereist nationale oplossingen. Onze 24 leden in 15 landen doen dat verschillend. Het is niet mogelijk om het Nederlandse systeem, dat werkt, in een andere samenleving te implementeren, aangezien die andere burgers, eisen en behoeften heeft.

EAPSPI is een uitwisselingsplatform en we proberen de instituties die tot onze leden behoren een stem te geven. De Europese Unie kan niet het pensioenstelsel van het hele continent ontwerpen, maar we proberen achter de best practices te komen en die te delen. We leven langer, de rentes zijn laag en de opbrengsten dalen. In een goed jaar zijn de opbrengsten 6 of 7 procent, terwijl dat vroeger in sommige jaren 20 tot 25 procent was.

Twintig jaar geleden werkten vier mensen voor één gepensioneerde. Nu daalt dat aantal naar drie en in de toekomst waarschijnlijk naar twee. Het betekent dat je voor jezelf werkt en voor het pensioen van 0,5 mensen. Dat is erg duur. Het gevolg is dat de vervangingsratio’s gaan afnemen. Het is niet onmogelijk om dat tegen te gaan, maar dan is er een productiviteitstoename nodig die niet is voorspeld. Een ander probleem, om het nog complexer te maken, is de toestand van de arbeidsmarkt. Ik ben 56 jaar oud en mijn contributie is vrij stabiel. Maar er is een toename van freelancers en mensen die via platforms werken, en hun bijdrage is minder stabiel.

Ten slotte zijn er enkele landen met problematische schulden, zoals België, Frankrijk, Italië en Spanje. In Spanje bijvoorbeeld, zeg ik weer als inwoner, is de schuld bijna 100 procent van het bruto binnenlands product (bbp). In het verleden, als de overheid de pensioenen niet kon betalen, kon ze gewoon wat nieuwe schuldpapieren uitgeven. Dat kan nu niet meer. Nu moet de overheid de schuld terugbrengen.’

Is er enige vorm van eenwording in de pensioenstelsels van Europa?
‘Vanuit de EU, en hier ga ik politiek correct zijn, is er een trend van harmonisatie van de stelsels.’

Is er soft pressure vanuit de EU?
‘Ja. En soms wordt die soft pressure iets harder. Maar het is niet redelijk om echte harmonisatie te verwachten. Samenlevingen verschillen, en wat voor het ene land werkt, werkt niet voor het andere. De discussie moet op nationaal niveau plaatsvinden, tussen politieke leiders, vakbonden en werkgevers.’

Hoe goed kent u het Nederlandse stelsel?
‘In jullie geval werd de tweede pijler volgens mij als eerste opgericht. En daarna de eerste. Het stelsel bestaat ongeveer honderd jaar en is een volwassen systeem dat werkt. In sommige landen is het systeem volledig afhankelijk van een van de pijlers. Daar kunnen ze veel leren van het Nederlandse systeem. De tweede en derde pijler vervullen de behoeften van de mensen die ze gebruiken. Tegelijkertijd zijn jullie het systeem aan het hervormen, omdat de veranderende samenleving aanpassing vereist. Dat gebeurt in sommige landen niet. Spanje, bijvoorbeeld. We hebben grote problemen met het pensioensysteem en niemand wil of durft het te veranderen, terwijl er al dertig jaar over hervorming wordt gepraat. Het systeem is compleet afhankelijk van de eerste pijler.

Een van de dingen die je moet vermijden, is armoede onder ouderen – Nederland heeft het laagste percentage ter wereld. Een van de doelen van de eerste pijler is om die ouderdomsarmoede te bestrijden. Het is aan ieder land om te bepalen wat het minimuminkomen moet zijn en er is een verschil tussen een minimum-, adequaat en toereikend inkomen. Een vervangingsratio van 50 procent kan, hoewel elke samenleving verschilt, worden gezien als een gemiddeld minimuminkomen. Een adequaat inkomen zou een inkomen zijn waarmee de gepensioneerde zijn levensstandaard aan kan houden tijdens het pensioen.

70 tot 85 procent bijvoorbeeld, waarbij 20 tot 30 procent wordt bijgedragen door de tweede pijler. Een toereikend inkomen is subjectief en verschilt voor iedereen – daar is de derde pijler voor. In Nederland werkt het. In Spanje niet. De eerste pijler verschafte vroeger het volledige inkomen, maar dat is het verleden. Nu is dat 80 procent en het daalt naar 55 procent. Een goede maatregel zou zijn om een tweede pijler in te voeren.

Er zijn mensen die zeggen dat meer individuele pensioenkennis hét antwoord op de situatie is, omdat het ervoor zou zorgen dat mensen goede strategieën en oplossingen kiezen. Maar dat is zelden het geval. Het zou de pensioenen in de tweede pijler kunnen verbeteren, maar het is niet aan de individuele burgers om te bepalen wat het beste systeem is. Zij baseren hun beslissingen op individuele behoeften. Het is aan organisaties, politici, vakbonden en andere sociale partners om te bepalen welk systeem geïmplementeerd moet worden. Daarbij moeten ze zich baseren op de behoeften en eisen van de samenleving als geheel. De rol van individuen is om te sparen.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.