of 59045 LinkedIn

Professionals willen meer lokale ruimte armoedebeleid

Uit een landelijke peiling van Movisie blijkt dat gemeenten ruimere bevoegdheden zouden moeten krijgen om, binnen een landelijk kader, te bepalen hoe het armoedebeleid er in hun gemeente uit ziet. Dat vinden de ondervraagde sociaal werkers.

Gemeenten zouden ruimere bevoegdheden moeten krijgen om, binnen een landelijk kader, te bepalen hoe het armoedebeleid er in hun gemeente uit ziet. Dat zegt bijna de helft van de sociaal werkers (45 procent) die in hun dagelijkse praktijk met de gevolgen van armoede te maken hebben.

Dit blijkt uit een landelijke peiling van Movisie. Het kennisinstituut vroeg ‘frontlijners’ naar ervaringen en opvattingen met betrekking tot dit groeiende probleem. Vrijwel alle respondenten krijgen in hun (vrijwilligers)werk te maken met armoedeproblematiek.

Hoop
Voor de helft van de invullers, meest beroepskrachten, is het hun werk om mensen te ondersteunen die in armoede leven. Voor 43 procent is het niet hun primaire taak of niet de directe reden waarom zij contact hebben met cliënten. Maar vrijwel altijd heeft het invloed op hun werk. De professionals hebben in ruime meerderheid positieve verwachtingen van sociale wijkteams bij het signaleren en aanpakken van armoede. De peiling werd ingevuld voordat die in meeste gemeenten van start gingen. ‘Het vrij hoge percentage – ruim 60 procent – dat gelooft in verbetering van armoedebestrijding door de inzet van wijkteams lijkt meer gebaseerd te zijn op hoop dan op praktijkervaringen,’ nuanceert Movisie-onderzoeker Bard Briels.

Lokale beleidsvrijheid
Gemeenten hanteren beleidsmatig verschillende inkomensgrenzen bij het verstrekken van financiële (of andere) tegemoetkomingen. Deze variëren van 105% tot 125% van het sociaal minimum. Een kwart van de ondervraagden vindt lokale beleidsvrijheid goed, maar die hoeft volgen hen niet groter. Zij wijzen op verschillen die kunnen ontstaan tussen gemeenten en daarmee onoverzichtelijkheid. Gemeenten moeten volgens hen (meer) naar elkaar kijken en van elkaar leren, om te voorkomen dat het wiel telkens opnieuw uitgevonden wordt. Als belangrijkste oplossing van het armoedeprobleem zien de sociaal werkers het tijdig signaleren en inspelen op (dreigende) schulden, gevolgd door gedragsverandering en het vergroten van vaardigheden. Toeleiding naar werk en zinvolle dagbesteding staat op de tweede plaats. Ten slotte wordt het aanpassen van uitkerings- en beloningssystemen genoemd als oplossing. Van de respondenten tekent 30 procent aan dat hun gemeente onvoldoende geld heeft om op lokaal niveau een goed armoedebeleid te voeren.

Bij de wortel aanpakken
Volgens Briels heerst er onder de sociaal werkers realiteitsbesef. Zij verwachten niet dat uitkeringen of lonen omhoog gaan, maar realiseren zich dat oplossingen bij gemeenten en henzelf vandaan moeten komen. ‘Zij willen graag de problematiek bij de wortel aanpakken. Dus daar waar problemen beginnen, en waar het gedrag of de vaardigheden van mensen kunnen worden versterkt. Logisch, want op wet- en regelgeving kunnen frontlijners geen invloed uitoefenen.’ Dat armoede niet op zichzelf staat, blijkt uit de risicofactoren die frontliniewerkers tegenkomen. Een aantal daarvan komt overeen met de risicofactoren die eerder door het SCP en CBS zijn genoemd, zoals langdurige werkloosheid en een laag opleidingsniveau. Daarnaast spelen volgens de sociaal werkers psychische problemen, verslaving en het ontbreken van financieel besef als oorzaken of complicerende facturen bij armoede. In de (schuld)hulpverlening moet volgens de invullers van de enquête meer het accent mogen komen liggen op gedragsverandering en hulpverlening. Daarnaast is het opvallend dat veel respondenten de afschaffing van regelingen benoemen als risicofactor, bijvoorbeeld hogere drempels voor de toegang tot schuldhulpverlening. Door het aanscherpen  van regelgeving dreigen meer mensen tussen wal en schip te vallen.

Veel heimelijke armoede
De opmerkelijkste uitkomst vindt Briels dat armoede nog steeds veel schaamte oproept. Mensen die te maken hebben met armoede of schuldenproblematiek vinden het moeilijk om hulp te zoeken, terwijl juist dat erger kan voorkomen. ‘We hielden de frontlijners de stelling voor dat door de vele media-aandacht het taboe op armoede minder is geworden. Bijna de helft van de respondenten onderschrijft die stelling niet.’  Volgens Briels is er veel heimelijke armoede, wat het voor sociaal werkers moeilijker er op tijd bij te zijn en ondersteuning te bieden. Een van de respondenten merkt in de peiling op dat armoede teveel bestempeld wordt als ‘iets dat altijd verwijtbaar is’. ‘Mensen schamen zich en zien armoede als een persoonlijk falen.’ En ander merkt op dat aankloppen bij de voedselbank inmiddels geaccepteerd is, ‘maar als je geen cadeautje voor het vriendje van je kind kan kopen ligt het anders.’

Welzijn
Armoede beïnvloedt het geestelijk welzijn van mensen sterk, zegt Briels. Het maakt volgens hem zelden strijdbaar of creatief. ‘Mensen zijn vaak echt wanhopig.’ Dat blijkt volgens hem ook uit de enquête. 80 procent van de respondenten constateert bij hun cliënten neerslachtigheid, sociaal isolement, eenzaamheid en gevoel van onmacht. De meesten zien ook gemoedsstemmingen als uitputting, boosheid en berusting.

Deskundigheidsbevordering
In de enquête is ook gevraagd naar de mate van ondersteuning die professionals en vrijwilligers hebben, en of dat voldoende is. Deskundigheidbevordering en scholing worden door 57% als zeer belangrijk bestempeld, maar slechts 13% geeft an dat dit ook voldoende gebeurt. Daarvoor is volgens hen te weinig geld, of de werkdruk is te hoog.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door H. Wiersma (gepens.) op
Lijkt me niet verstandig en werkt ongelijke behandeling bij gemeenten in de hand (de interne bijstandsemigratie naar andere gemeenten neemt toe). M.i. kan Kabinet het beste maximale en minimale criteria aangeven waar binnen moet worden gewerkt.
Door Aad de Booij (Beleidsadviseur) op
Als we structurele, intergenerationele, armoede aan de wortel willen aanpakken moeten we meer investeren in ontwikkelingsstimulering van de jongste kinderen die opgroeien in langdurige armoede. Niet in de plaats van, maar naast de inzet gericht op de volwassenen en - oudere - kinderen. Het leggen van een verbinding met andere beleidsinzet kan het aanpakken van de oorzaken van intergenerationele armoede versterken. Bijvoorbeeld de VVE, de aanpak Laaggeletterdheid en de Volwasseneneducatie.