Volg ons op: , 48645 LinkedIn of

Kijk snel bij: Abonnementen Adverteren BB Magazine

Grenzen aan participatie

Het regeerakkoord voorziet erin dat er meer taken vanuit de Awbz naar de Wmo gaan. Meer werk dus ook voor vrijwilligers en mantelzorgers. Zijn die er wel?

Participatie is het toverwoord binnen de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning). Had het vorige kabinet al besloten de begeleidingstaken vanuit de Awbz over te hevelen naar de Wmo, uit het regeerakkoord blijkt dat het nieuwe kabinet daar nog een stevige schep bovenop doet.

Naast begeleiding zal ook een groot deel van de verzorging voor rekening van de gemeenten komen. En daarmee deels op het bordje van de burger, de mantelzorger, de vrijwilliger. Maar dat gaat niet vanzelf.

Crowding out-theorie

Het huidige beleid is gebaseerd op de ‘crowding out’-theorie. Die stelt dat de samenleving meer zal gaan doen naarmate de overheid zich terugtrekt. Dit is de essentie van de Wmo, samen met het versterken van de sociale cohesie, waarmee meer zorg gestimuleerd moet worden. Nu ook de begeleiding en verzorging vanuit de Awbz volledig overgeheveld gaan worden, zal op dat punt meer zorg van bijvoorbeeld familie, vrienden of buren moeten komen.
 

Psychologische drempel
Volgens Marja Jager-Vreugdenhil ligt dat anders. Ze promoveert op haar proefschrift ‘Nederland Participatieland?’, dat gaat over de rol van participatie binnen de Wmo. Een van de conclusies die ze trekt is dat sociale cohesie in een wijk niet per se leidt tot meer zorg. ‘Het verband tussen sociale samenhang in een buurt en de zorg die er uit voorkomt, komt echt nergens vandaan’, stelt ze. ‘Ook de crowding out-theorie, die stelt dat wanneer de overheid zich terugtrekt de samenleving meer gaat doen, is niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs.’


Eerst naar de overheid

Jager-Vreugdenhil ziet dat de verzorgingsstaat de mentaliteit in ons land heeft gewijzigd. De mentaliteit die deze staat met zich mee bracht is er een waarbij Nederlanders eerst naar de overheid kijken als ze zorg nodig hebben. Bij haar onderzoek merkte ze dat Nederlanders niet gauw naar mensen in hun omgeving toe zullen gaan met een zorgvraag. ‘Mensen verwachten van elkaar dat ze eerst naar de voorzieningen toe gaan. Een van mijn respondenten zei: “We zijn toch hoog genoeg opgeleid om niet een structureel beroep op onze buren te doen?”, waarmee ze bedoelde dat ze de weg naar de instanties wel wist.’

 

Psychologische drempel
Zorg is een taak van de overheid, zo wordt het ervaren. Dat mensen elkaar een beetje ‘dom’ vinden als ze dat niet snappen, werpt een psychologische drempel op bij het vragen naar zorg. ‘Mensen gaan nu eerst naar de gemeente, die ze vervolgens vertelt dat ze ook in hun eigen omgeving moeten kijken’, vertelt Jager-Vreugdenhil. ‘Daarmee komt de last van de cultuuromslag op de zwakste schouders, dat klopt niet.’

 

Verhaal erbij vertellen
De oplossing ligt volgens haar bij de mensen die zorg aan kunnen bieden. Door juist die groep te informeren over hun rol in een maatschappij waar iedereen voor elkaar zorgt, verlaag je de drempel om zorg te vragen. ‘Er wordt nu nog helemaal niet uitgesproken dat er een verwachting bij burgers ligt. Ik krijg als burger nu niet de oproep of ik wat voor mijn buren wil doen om ons stelsel betaalbaar te houden. Wethouders, maar ook de rijksoverheid moeten dat verhaal er bij vertellen.’

 

Overheid moet zich terugtrekken
Niet iedereen denkt er zo over. Aaike Kamsteeg, als wethouder van Zwijndrecht verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wmo in die gemeente, ziet liever dat de overheid zich veel meer terugtrekt: ‘Het gaat hier om een cultuurverandering, die gaat langzaam, maar ik wil niet tot sint-juttemis wachten. Iemand zei me laatst: “De verzorgingsstaat heeft ons in dertig jaar tijd hier naartoe geleid, wie weet duur het nog wel dertig jaar voor we hier weer weg zijn.”’

 

Rigoureus stoppen met zorgtaken
‘Er moet een urgentiegevoel zijn. Dat is er nu wel bij politici, maar nog niet bij de burgers’, zegt Kamsteeg. Hij ziet daarom het liefst dat de overheid rigoureus stopt met het aanbieden van een aantal zorgtaken. ‘Ik heb genoeg vertrouwen in de Nederlandse bevolking. Ik was op zaterdag in de stad, daar was een buurtmarkt opgezet door bewoners. Later ben ik bij een voetbalclub geweest. Alle amateurclubs draaien op vrijwilligers. Ook hebben we in Zwijndrecht een buurtbus voor senioren, compleet opgezet zonder subsidie. Daar wordt ik echt optimistisch van. Door te stoppen met zorgtaken word je binnen een groep of familie bijna gedwongen om je steentje bij te dragen. Dat vind ik positief.’

 

Mensen niet afhankelijk maken
Ook Bert Holman, projectleider Wmo bij het ministerie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, wil vooral de zorgvrager stimuleren. ‘We moeten mensen niet te snel afhankelijk maken van de overheid, maar goed kijken naar wat iemand nodig heeft en waar dat vandaan kan komen. Als dat binnen het eigen netwerk kan is dat alleen maar beter.’

 

Samenwerken aan de cultuuromslag
Het extra stimuleren van mensen die geen zorg nodig hebben om zich meer aan te bieden, zoals Jager-Vreugdenhil voorstelt, vindt Holman overdreven. ‘We voeren al campagne, en er is een brede maatschappelijke discussie aan de gang over participatie. Dat is het belangrijkst, dat we het er met elkaar over hebben. Op die manier moeten we met elkaar aan een cultuuromslag werken.’

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Mark Molenaar (Communicatieadviseur) op
Onderzoek toont aan dat vrijwilligersorganisaties, die functioneren buiten de zorg, zich niets gelegen laten liggen aan de Wmo. Zie ook het korte verslag met videosamenvatting van het debat Wanneer doet het vrijwilligerswerk mee? http://nov.nl/actueel/nieuws/verslag-reuring-in- …

Vacatures

Van onze partners

Dossiers