of 58959 LinkedIn

Weinig optimisme cultuurverandering Omgevingswet

De cultuurverandering die nodig is voor werken met een integrale omgevingsvisie gaat niet snel genoeg, het participatieproces is een worsteling en langetermijnvisies botsen met actuele lokale opgaven. Dat blijkt uit de analyse van de pilot omgevingsvisie in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

De cultuurverandering die nodig is voor werken met een integrale omgevingsvisie gaat niet snel genoeg, het participatieproces is een worsteling en langetermijnvisies botsen met actuele lokale opgaven. Dat blijkt uit de analyse van de pilot omgevingsvisie in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Hindernissen

In opdracht van het ministerie begeleidt de Beroepsvereniging van Stedebouwkundigen en Planologen (BNSP) negen pilotgemeenten die experimenteren met de omgevingsvisie, een van de nieuwe instrumenten uit de Omgevingswet. In een maandag openbaar gemaakte rapportage zijn de ervaringen gebundeld. De experimenten laten zien dat het werken in de geest van de Omgevingswet veel hindernissen kent.


Cultuurverandering lastig

De cultuurverandering om over te stappen van sectoraal naar integraal werken, lijkt een van de lastigste opgaven. “Het bewustzijn over nut en noodzaak van cultuurverandering is groot, maar processen worden als ingewikkelder ervaren dan voorheen”, staat in het rapport. “Er is in het algemeen weinig optimisme dat cultuurverandering daadwerkelijk lukt binnen enkele jaren. En het komt dan ook geregeld voor dat de interne betrokkenheid bij (de start van) een omgevingsvisie matig is.”

 

Sectoraal denken belemmert

Sectoraal denken en handelen  is een hardnekkige belemmering voor integraliteit, is een andere constatering in de analyse. De wens om integraal te gaan werken zal een andere houding vragen van overheidsorganisaties en –professionals maar blijkt nog niet (overal) haalbaar in de pilots. Zo is er de moeizame verhouding tussen een integrale omgevingsvisie en bestaande, nog steeds geldende sectorale beleidsnota’s. Welke prevaleert, vragen de gemeenten zich af? “Ook werkt de toedeling van middelen en aansturing van medewerkers via sectorale beleidsafdelingen of het labelen van financiële middelen uit bestaande programma’s uit andere bestuurslagen integraliteit tegen.”

 

Beloningssysteem

Vergelijkbare conclusies komen naar voren in een afstudeeronderzoek Planologie van de universiteit Utrecht van vorig najaar. Bas Snoeker onderzocht ongeveer gelijktijdig bij vijf van de negen pilotgemeenten of zij erin slagen de omgevingsvisie integraal op te stellen. Op dit moment is dat volgens hem niet het geval. Volgens Snoeker zijn er nog veel aanpassingen nodig, zowel in werkcultuur als –structuur. Ook hij ziet het sectorale beloningssysteem (afrekenen op sectorale beleidsdoelen) als een belemmering voor integraal werken.

 

Worsteling met participatie

In de rapportage van BNSP wordt ook de worsteling met participatie beschreven. “Wie wel en wie (nog) niet gevraagd wordt om te participeren (en waarom niet), blijkt een voortdurende vraag. Dat geldt ook voor de toegankelijkheid van lopende participatieprocessen voor nieuwe toetreders. De mate waarin een representatieve afspiegeling van de bevolking noodzakelijk is voor een zorgvuldig en productief participatieproces is een worsteling. Dat geldt ook voor het (beter) betrekken van ‘atypische groepen’, zoals jongeren, lager opgeleiden en allochtone Nederlanders.”

 

Lange en korte termijn

Een ander knelpunt voor de pilotgemeenten is de spanning tussen het vastleggen van ambities voor de lange termijn in een omgevingsvisie en omgaan met actuele ontwikkelingen, zoals krimp, regionale economie, wonen en zorg, klimaatverandering en energietransitie.

 

Vervolg

Toch is er een positief beeld over het traject van de pilots omgevingsvisie, stellen de onderzoekers. Een pilotstatus geeft energie en werkt als katalysator. Wel vinden de deelnemers het pilottraject te kort. Ze willen graag verder met de experimenten en hebben nog steeds behoefte aan coaching. Het ministerie onderzoekt of dit mogelijk is.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Jan-Willem Bonekamp (organisatie- en veranderkundig adviseur bij LouterHelder) op
Hoe we het ook noemen (cultuurverandering, transformatie van houding en gedrag, "do-it-yourself", transitie van tijdperk), wat mij verwondert is de verbazing over (het gebrek aan) de snelheid van dit enorme veranderingstraject. Alsof het een overzichtelijk, planbaar geheel van activiteiten is met als enig mogelijke uitkomst: een andere cultuur! Ik wens ons wat berusting toe met het inzicht dat het niet één verandervraag is, maar een complex aan vraagstukken die ieder een eigen aanpak, snelheid en uitkomst kennen. Een aantal 'problemen' kunnen we daarbij integraal en planmatig aanpakken. Voor een aantal andere vraagt dat om een onderzoekende, op innovatie gerichte aanpak in kleine kiemen. Zo kijk ik ook naar de in de reacties genoemde pilots en hun succes.

Voor mij is het artikel van Hans Vermaak: "De kracht van kleine Kwaliteit" daarbij heel inspirerend en hoopgevend. Geschreven vanuit een andere domein, de zorg, maar was transdisciplinair werken juist ook niet een van de sleutelfactoren?

http://hansvermaak.com/blog/publicaties/de-krach …
Door Gert Peter Vos (Directeur Tonnaer Omgevingsrecht) op
Cultuurverandering is ook niet het woord wat moet worden gebruikt. Tonnaer spreekt liever over een transformatie van houding en gedrag. Om te bepalen wie wel of niet gevraagd moet worden om te participeren raden wij altijd een stakeholderanalyse aan. Een handig instrument om macht en invloed stakeholders in beeld te brengen. Praktijk tip : niet te zuinig met uitnodigen. Liever 1 te veel dan 1 vergeten !
Door Henry (ambtenaar) op
De omgevingswet heeft een gedaante, maar kent vele verschijningsvormen. De nieuwe mogelijkheden komen uitgebreid voor het voetlicht, en dat is goed! Het wekt de indruk dat er allemaal nieuwe dingen mogelijk zijn waarbij de gemeente zo ongeveer de vrije hand krijgt om het grondgebied in te (laten) richten zoals zij het zelf wil. Uitnodigingsplanologie heet dat dan. Tegelijkertijd beperken de verschillende uitvoeringsbesluiten (Amvb's) deze vrijheid behoorlijk. Met name daar waar het milieunormen (bodem, lucht, geluid, water, veiligheid, afvalstoffen, natuurwaarden) betreft, legt de Rijksoverheid de grenzen vast. Als het echt om uitnodigingsplanalogie gaat dan zou de Rijksoverheid dit ook los moeten laten. Dit gebeurt gelukkig niet. Deze grenzen loslaten en overlaten aan de gemeente leidt er in het meest gunstige geval toe dat er een mooi afgewogen plan of visie ligt. Echter de financiële drijfveer om iets te realiseren zal de normen onder druk zetten. Het laatste voorbeeld is de discussie of de gemeenten ruimtelijke zeggingsschap krijgen over het bebouwen van de kustlijn. De Tweede Kamer vertrouwt de gemeenten niet dat zij op een goede manier met de uitnodigingsplanalogie omgaan. Het resultaat is dat de Minister het plan weer in moest trekken.

Het echte speelveld waar de gemeente dan nog wat kan is de directe woon- en leefomgeving van haar burgers. Het zou discussies over de ruimtelijke kant van de omgevingswet een stuk beperken, maar wel veel realistischer en meer haalbaar maken.

Door JaapvV (adviseur, o.a. voorzieningen) op
Fijn dat de pilot zoveel nieuwe energie heeft gegenereerd. De essentie is echter dat integraal werken niet van de grond komt. Dat poets je niet weg met een goed gevoel. Er is dus niets nieuws onder de zon. Ik werk al 13 jaar aan integrale projecten met gemeenten in de openbare ruimte. Niet dus. Blijkbaar hebben we de oplossing dus nog niet gevonden.
Door Derk-Jan Verhaak (Pilotcoach) op
Ik deel de conclusie dat er nog het nodige moet gebeuren, maar het pilottraject heeft veel energie los gemaakt en ideeën gegenereerd. Een vervolg biedt de mogelijkheid om volgende stappen te zetten en van elkaar te blijven leren. Daar ben ik erg optimistisch over (als ervaringsdeskundige).