of 59054 LinkedIn

‘Archeologieregels moeten realistischer’

Pleidooi voor aanpassen archeologieregels van NEPROM, LTO-Nederland en Cascade

Gemeenten wijzen te veel gebieden aan als archeologisch zoekgebied. Onderzoeken lopen op niets uit, waardoor ontwikkelaars en andere initiatiefnemers onnodig kosten maken en het draagvlak voor archeologisch onderzoek bij het bedrijfsleven terugloopt. In de Omgevingswet moet dat worden gerepareerd.

Onderzoek naar bodemvondsten

Daarvoor pleiten de brancheorganisaties van de land- en tuinbouw, projectontwikkeling en de delfstoffenwinning, NEPROM, LTO-Nederland en Cascade. Ze vinden dat er realistischer regels moeten komen voor onderzoek naar mogelijke bodemvondsten. Ze lijken daarvoor steun te krijgen via een CDA-amendement over archeologie in de Omgevingswet.

 

Lage verwachting

Onder de huidige regelgeving is de situatie ontstaan dat niet alleen gebieden waarvan men weet dat er archeologische waarden zijn een aantekening krijgen in het bestemmingsplan. Dat geldt ook voor veel van de gebieden waarvan men verwacht dat er waardevolle bodemschatten zijn. Dat gebeurt volgens de briefschrijvers ook als die verwachting middelhoog of laag is.

 

Dubbelbestemming archeologie

Bestemmingsplannen lopen daardoor volgens hen vol met de zogenoemde “dubbelbestemming archeologie”. Ze verwachten dat de digitalisering van bestemmingsplannen dat aantal verder verhoogt. “Veel gemeenten zijn bijna één grote archeologische dubbelbestemming”, aldus de auteurs. Ze onderkennen het belang van archeologie voor de geschiedschrijving van Nederland, maar vinden de huidige aanpak disproportioneel. “Stelselmatig” moeten leden onderzoek laten uitvoeren voor duizenden tot soms een half miljoen euro, waarbij achteraf wordt geconstateerd dat het onderzoek geen nieuwe kennis of bodemschatten opleverde, aldus de brancheorganisaties.

 

Amendement voor aantoonbare monumenten

Ze hopen dat een amendement van CDA-Kamerlid Erik Ronnes steun krijgt bij de plenaire behandeling van de Omgevingswet, deze en volgende week. Ronnes pleit er in zijn voorstel voor om zogenaamde ‘te verwachten archeologische monumenten’ alleen in bestemmingsplannen (straks dus omgevingsplannen) te kunnen beschermen indien sprake is van ‘aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’.

 

Minister steunt voorstel

Uit de schriftelijke reactie van de minister op de ingediende amendementen putten de brancheorganisaties hoop. De minister steunt het voorstel van Ronnes. De NEPROM, LTO-Nederland en Cascade hopen dat de minister en de Tweede Kamer daaraan nog toevoegen dat die deze aantoonbaarheid gebaseerd is op actuele en specifiek lokale archeologische en bodemkundige informatie, een statistische onderbouwing van de trefkans op archeologische monumenten en een overzicht van alle verstoringen. Dat leidt volgens de belangenorganisaties ook tot beter onderzoek, waarmee het voorstel niet alleen goed is voor het bedrijfsleven, maar ook voor de archeologie.

 

Woensdagavond is het plenaire debat in de Tweede Kamer over de Omgevingswet. De stemmingen over moties en amendementen staan gepland voor de week erna.

Verstuur dit artikel naar Google+

Gerelateerde artikelen

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Jacob Schotten (beleidsadviseur erfgoed / archeoloog) op
Het door Cascade, Neprom, LTO zelf en hun spreekbuis bestaande uit de bureaus a=m en de Brug gesignaleerde “probleem” bestaat niet. Het amendement Ronnes gaat dan ook niets “oplossen”.
Uit eigen ervaring als zowel rijks- en regionaal als gemeentelijk archeoloog weet ik dat het AMZ-systeem werkt. Dat komt ook duidelijk naar voren uit de evaluatie van “Malta” enkele jaren geleden. Toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra concludeerde op basis van deze evaluatie dat op de ingeslagen weg moet worden doorgegaan. Specifiek constateerde hij dat de implementatie van “Malta” in Nederland sober en doelmatig heeft plaatsgevonden. Ook benadrukte hij dat het doel van “Malta” het behouden van archeologisch erfgoed is, in principe in situ. De “verbeteracties” die hij n.a.v. de evaluatie in gang heeft gezet zijn primair gericht op het stimuleren en faciliteren van gemeenten die nog onvoldoende hun verantwoordelijkheid nemen. In mijn eerdere reactie wees ik er verder op dat het gegeven dat slechts zo’n 1-2% van de archeologische onderzoeken opgravingen zijn aantoont dat de “AMZ-trechter” prima functioneert.
De suggesties van Ronnes bovengenoemde achterban dat “stelselmatig” onnodig en duur onderzoek wordt gedaan (bedoeld wordt juist de grote goedkope bulk van 98-99%), dat gemeenten de “door archeologen gemaakte” verwachtingskaarten “overnemen” (je zou bijna gaan denken dat ze als weerloze lammeren aan de wolven of Rupsjes Nooitgenoeg zijn overgeleverd, nooit over een archeologisch adviseur beschikken !) enz. enz. zijn volstrekt uit de lucht gegrepen en niet minder dan ordinaire, maar ook kwalijke stemmingmakerij. Ik heb nog nooit een opgraving van tonnen of “een half miljoen” meegemaakt zonder of met weinig inhoudelijk rendement. Een dergelijke situatie kan alleen betekenen dat er geen goed vooronderzoek is gedaan en/of dat er ondeskundige besluiten door het bevoegd gezag zijn genomen.
Toevoeging van het woord “aantoonbaar”, maar dan in de betekenis van “onderbouwd”, zoals Ronnes wil, heeft geen enkele toegevoegde waarde. Er zijn namelijk alleen bekende (= vastgestelde) monumenten en verwachtingen. Het aantal bekende monumenten is beperkt. Het betreft immers opgegraven resten, maar op reeds onderzochte gebieden rust geen verwachting meer, en de heel beperkt aanwezige bovengronds zichtbare en/of (met proef-/vooronderzoek) geconstateerde ondergrondse resten. Zinvoller was het geweest als Ronnes ervoor had gepleit om te snoeien in de terminologie m.b.t. verwachtingen. Dus in plaats van een bijv. zeer hoge, hoge, middelhoge, lage of geen (ontbrekende) verwachting zou het beter zijn om nog slechts de aanduiding “archeologische verwachting” te gebruiken. Kwalificaties als (zeer) hoog, middelhoog en laag suggereren een absoluut meetbare rangorde in de mate van wetenschappelijk belang die er in werkelijkheid niet is. Bovendien is archeologische waarde/betekenis niet statistisch te onderbouwen en uit te drukken in trefkans. Met andere woorden: verwachtingsgebieden met een hoge trefkans (hoge verwachting) zijn niet zonder meer belangrijker dan gebieden met een lagere trefkans. Verder is het zo dat er niet of nauwelijks niet onderbouwde verwachtingen voorkomen. Achter bijna elke verwachtingskaart zit een onderbouwing. Om een gedifferentieerde normering (oppervlakte en diepte) ter bepaling van de onderzoeksplicht te kunnen toepassen is het echter onvermijdelijk om verschillende normeringen te hanteren. Overigens zie je wel dat verwachtingen in elkaar worden geschoven. Zo wordt in “mijn” gemeente geen onderscheid gemaakt in hoog en middelhoog. Beide aanduidingen zijn gecombineerd tot “(middel)hoge verwachting”.
Kortom: “leuker” kunnen we het niet maken en makkelijker ook niet. Simpele en populistische oneliners als die van Ronne cs dat het amendement goed is voor “economie én archeologie” zijn daarom goedkope flauwekul. Laat deze lieden in plaats van zich eenzijdig sectoraal te beklagen over vermeende misstanden zich hard maken voor een dichter net van goede gemeentelijke en regionale archeologen, zodat gemeenten hun taken op dit gebied (nog) beter kunnen vervullen. Dan wordt overal maatwerk mogelijk en alleen daar zijn alle partijen bij gebaat.
Door Jan (Zelfstandig adviseur archeologie en ro) op
Vanmiddag is de Omgevingswet door de Tweede Kamer aangenomen. Zo ook het amendement (162) van het CDA (Ronnes) waarin gevraagd wordt om een betere onderbouwing van archeologische dubbelbestemmingen in omgevingsplannen.
Door Niels op
Als archeologen deze discussie een beetje zinvol willen vormgeven is de tip in ieder geval de boodschap kort, bondig en helder over te brengen.

Die lappen tekst hieronder werken niet.

Zelf niet werkzaam in, ken persoonlijk wel diverse mensen in de sector, sympathie voor wat ze doen en voor bewaking erfgoed, maar elke keer waar ik over struikel.
Door Leo Tebbens (Senior adviseur archeologie) op
Ronnes pleit er in zijn voorstel voor om zogenaamde ‘te verwachten archeologische monumenten’ alleen in bestemmingsplannen (straks dus omgevingsplannen) te kunnen beschermen indien sprake is van ‘aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten’.

Dat lijkt me een contradictio in terminis: als een archeologisch monument aantoonbaar is, dan is sprake van bekende archeologische waarden. Als een terrein daarentegen op basis van landschappelijke kenmerken al dan niet in combinatie met eerdere vondstmeldingen en/of waarnemingen een lage, middelhoge of hoge verwachting heeft op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, dan is sprake van een archeologische verwachting die nog getoetst dient te worden, bijvoorbeeld met grondboringen, proefputten of proefsleuven. Met het voorstel om uitsluitend de 'aantoonbare monumenten' nog te onderzoeken ondergraaft Ronnes het fundament van een zorgvuldig uitgevoerde AMZ-cyclus. De basis is immers door adequaat, proportioneel en 'trechterend' vooronderzoek archeologische vindplaatsen tijdig op te sporen. Zo wordt bijvoorbeeld voorkomen dat potentieel behoudenswaardige archeologische waarden verloren gaan of te laat ontdekt worden, waardoor een ontwikkeling moet worden stilgelegd. Tevens gaat Ronnes voorbij aan het feit dat de meeste gemeentelijke verwachtingskaarten staffels bieden voor de grootte van onderzoeksplichtige terreinen met een dubbelbestemming archeologie. Gebieden met een lage of middelhoge verwachting zijn immers pas bij een veel hoger aantal hectare of vierkante meters onderzoeksplichtig ten opzichte van archeologische monumenten of gebieden met een (zeer) hoge archeologische verwachting. De uitspraak "onderzoeken die niets opleveren" mag daarom in twijfel worden getrokken: als zorgvuldig vooronderzoek oplevert dat geen vindplaats aanwezig is en de ontwikkeling zonder extra archeologiekosten kan doorgaan, dan bereiken we toch wat gewenst is? En als uit zorgvuldig vooronderzoek blijkt dat een AANTOONBARE potentieel behoudenswaardige vindplaats aanwezig is, dan kan er tenminste een fatsoenlijke maatschappelijke afweging worden gemaakt hoe daar mee om te gaan: opgraven of deselecteren, in overeenstemming met lokaal vastgesteld gemeentelijk beleid, want zo is de decentrale besluitvorming over erfgoed vanaf de implementatie van de Maltawetgeving tussen 2000 en 2007 immers vormgegeven. Of draaien we dat nu weer terug door als centrale overheid de gemeenten met dit amendement op hun vingers te gaan tikken als ze 'teveel' eisen? En zo ja, doen we dat dan ook als gemeenten 'te weinig' doen?
Door Jacob Schotten (Beleidsadviseur erfgoed/archeoloog) op
De aan het amendement ten grondslag liggende redenatie is op veel punten te kort door de bocht en zelfs tendentieus, dat is hieronder terecht al opgemerkt. Uit ruime eigen ervaring (in Zuid-Nederland) weet ik hoe zorgvuldig de meeste gemeentelijke verwachtingskaarten tot stand zijn gekomen, veelal in samenspraak tussen de vervaardiger en de gemeentelijk of regionaal archeoloog namens de opdrachtgever. Dat het beter "moet" is in dit verband dan ook een gemakkelijk uitgesproken, maar nietszeggende dooddoener. Verder bewijst de constatering dat 80-90% van de vooronderzoeken niet tot vervolgonderzoek leidt juist dat het (AMZ-)systeem van verwachtingswaarden, onderzoek in stappen (van grof naar fijn) en bijbehorende tussentijdse beslismomenten/selectiebesluiten goed werkt ! Voorwaarde voor dit maatwerk, want dat is het in de praktijk, is wel dat de bevoegde overheid beschikt over een vaste, lokaal en regionaal deskundige archeologische adviseur. Ook de trend om archeologisch onderzoek per definitie als duur af te schilderen is tendentieus en niet op feiten gebaseerd. Bij het vooronderzoek, de hoofdmoot van het onderzoek, gaat het in veel gevallen om hoogstens enkele duizenden euro's. De tonnen waarover nogal eens wordt gerept zijn grote uitzonderingen en vaak is de overheid zelf daarbij de initiatiefnemer. Kortom, "Malta" werkt en is een evenwichtig systeem waarvoor, ondanks de gebreken die er zeker ook zijn, vooralsnog geen beter alternatief bestaat. En laten we vooral niet vergeten dat "Malta" is ingevoerd uit nood, om te redden wat er nog te redden te valt, niet om mensen te "pleasen" en evenmin om archeologen blij te maken, maar inderdaad voor de wetenschap en voor niets anders. Het geklaag van uitgerekend groepen die het minst "last" hebben van archeologie is godsgeklaagd.
Door Jan (Zelfstandig adviseur archeologie en ro) op
Maatschappelijke groepen hebben een probleem met de wijze waarop de archeologische monumentenzorg in Nederland vorm krijgt en wat is de reactie van veel archeologen? U ziet het verkeerd, het is wetenschap en laat ons vooral met rust., wij weten wat goed voor u is. Oh ja, en de rekening van ons werk leggen we bij u neer ! Een wetenschap als de archeologie zou zich er voor moeten inspannen betere waarden en verwachtingenkaarten te laten opstellen, zou geen genoegen moeten nemen met 80 of 90% onderzoek dat niks oplevert en zou samen met deze maatschappelijk groepen moeten zoeken naar de mogelijkheden voor betekenisvoller onderzoek. Als je als archeologen een claimt legt op andermans grond, de kosten voor je eigen onderzoek neerlegt bij anderen zou je je rug niet moeten toekeren naar de maatschappij maar daarme in dialoog moten gaan. Anders is het draagvlak voor je wetenschap snel verdwenen.
Door Emile Eimermann (Archeoloog) op
Niemand zit te wachten op onzinnig archeologisch onderzoek en dat is zeker voer voor discussie onder archeologen! Echter, deze brief en het eraan gekoppelde amendement is helaas inderdaad voor een deel tendentieus te noemen en suggereert hiermee dat de archeologie ontwikkelingen in de weg zou zitten. Dat is natuurlijk complete kul. Net als bij milieuonderzoek en andere MER-gerelateerde onderzoeken moet men gewoon tijdig aan de archeologisch onderzoeksverplichting voldoen. Dat daarbij keuzes kunnen en moeten gemaakt worden ten behoeve van een kwalitatieve archeologie lijkt me evident. Om inhoudelijke redenen, zoals reeds in de vorige reacties aangedragen, gaat dat echter NIET middels het toevoegen van het woord 'aantoonbaar'. Daarmee doet het amendement de archeologische wetenschap te kort en gaat men voorbij aan het complexe karakter van een hoogwaardige en wetenschappelijke discipline.
Door Mans Schepers (archeoloog) op
De huidige kaarten leiden inderdaad tot een maatschappelijk onwenselijke situatie. Maar het woordje 'aantoonbaar' toevoegen is onzin, dat is immers het punt: we weten het vaak niet. Ik zie een situatie voor me waarbij bij grote ontgravingen in ieder geval een archeoloog bij verwijderen van de bovengrond aanwezig is, inclusief recht om te documenteren en bij veel sporen of vondsten, stilleggen. Zonder een ontsnappingsclausule voor dingen die we nog niet wisten, is dit funest voor ons erfgoed.
Door Hogestijn (Stadsarcheoloog) op
Een pleidooi voor betere verwachtingskaarten? Uitgebreide analyse heeft aangetoond dat de verwachtingskaart opgesteld door de RCE voor Almere niet beter presteert dan het toeval. Onder andere omdat er te weinig aktuele informatie is om vanuit te te gaan. Van deze resultaten is een publicatie in Westerheem verschenen. Er is geen reden om aan te nemen dat deze conclusie met betrekking tot de waarde van Verwachtingskaarten, alleen voor Almere zou gelden. Sterker nog, er is op grond van de ovevloedige wetenschappelijke literatuur juist ale reden om verwachtingskaarten ten zeerste te wantrouwen.

Dan de omstandigheid dat de intiatiefnemer betaald voor noodzakelijk onderzoek, dwz. voor het vooronderzoek en voor de eventueel daaruit voortvloeiende opgraving incl. uitwerking daarvan.
Daartoe heeft de kamer besloten, de verstoorder diende te betalen, het rijk draaide de kraan dicht, en er moest marktwerking komen. De archeologische bedrijven zijn commerciele instellingen, er moet verdiend worden. De meeste beleidskaarten/verwachtingskaarten zijn door archeologische bedrijven opgesteld. Vaak dezelfde die vervolgens aan initiatiefnemers adviseren hoe die daarmee om moeten gaan, welke onderzoeken er uit gevoerd moeten worden. Bij de meeste gemeenten ontbreekt het aan relevante archeologische kennis. De rol van bevoegd gezag kan daar niet of nauwelijks op een serieuze manier door de betrokken ambtenaar worden vervuld. Het ontbreekt aan de inhoudelijk benodigde kennis. De adviezen van een ingehuurde deskundige of van een Steunpunt, worden dus lang niet altijd even kritisch gevolgd En dat leidt zeker tot ook vanuit archeologische optiek tot zinloos onderzoek. Tot verspilling van geld en tijd. Het pleidooi van Ronnes voir betere verwachtingskaarten klinkt leuk voor zijn agrarische en bouwende achterban. Het is inhoudelijk leeg en doet niets anders dan symptoom bestrijding. En voorzover dat pleidooi gebaseerd is op het onderzoek van LTO, ontbreekt het ook in analytische zin aan voldoende kennis van zaken.


Door d. kastelein (archeoloog) op
Een tamelijk tendentieus artikel. Bedragen die in de tonnen lopen zijn terug te voeren op daadwerkelijke opgravingen en niet op vooronderzoeken. Opgravingen zijn de laatste fase uit de Amz cyclus waarbij sprake is van behoud in situ van behoudenswaardige resten. Dat de kosten hiervan voor rekening zijn van de verstoorder is die immers economisch voordeel meent te hebben van de ontwikkeling volkomen terecht.