of 59054 LinkedIn

CPB bepaalt financieel lot gemeenten

Het Centraal Planbureau rekent in de publicatie ‘Keuzes in kaart’ door wat de gevolgen zijn van de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen uit de Tweede Kamer. Daarvoor hanteert het CPB een aantal uitgangspunten, die het al aan de politieke partijen doorgeeft voordat die hun verkiezingsprogramma’s vaststellen. Zowel in 2010 als in 2012 kwam de geplande meerjarenbezuiniging op de decentrale overheden – respectievelijk 1,75 miljard in 2015 en 1,2 miljard euro in 2017 – exact overeen met het maximum dat het CPB daarvoor stelde.

Bij de laatste twee kabinetsformaties heeft het rijk het maximale bedrag bezuinigd op de gemeenten dat volgens het Centraal Planbureau mogelijk was. Omdat het accres lager uitviel dan geraamd, is er uiteindelijk honderden miljoenen méér bezuinigd.

Dat vermoeden is bevestigd in onderzoek van Binnenlands Bestuur. Het Centraal Planbureau rekent in de publicatie ‘Keuzes in kaart’ door wat de gevolgen zijn van de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen uit de Tweede Kamer. Daarvoor hanteert het CPB een aantal uitgangspunten, die het al aan de politieke partijen doorgeeft voordat die hun verkiezingsprogramma’s vaststellen. Zowel in 2010 als in 2012 kwam de geplande meerjarenbezuiniging op de decentrale overheden – respectievelijk 1,75 miljard in 2015 en 1,2 miljard euro in 2017 – exact overeen met het maximum dat het CPB daarvoor stelde.

Maximale bezuinigingsbedragen die het CPB voor tussenliggende jaren aangeeft, blijken geen effect te hebben op de besluitvorming bij kabinetsformaties. Ook lobbyactiviteiten van gemeenten blijken geen effect te hebben op de algemene ­bezuinigingen van het regeerakkoord.

Scherpe keuzes
Voor de verkiezingen in juni 2010 schrijft het CPB dat alle partijen bezuinigen op de uitgaven voor openbaar bestuur. In het basisscenario dalen deze uitgaven al als percentage van het bruto binnenlands product, als gevolg van eerder ingevoerde taakstellingen en veronderstelde bezuinigingen. Alle partijen willen verder bezuinigen. Het is echter de vraag hoe haalbaar deze voornemens zijn. Omvangrijke efficiëntiewinsten op het overheidsapparaat zijn moeilijk in één kabinetsperiode te realiseren, zo leert de ervaring. Hetzelfde geldt voor een drastische inperking van taken. Het CPB gebruikt daarom maxima voor de ombuigingsvoorstellen voor de komende kabinetsperiode. Als maximum hanteert het CPB de meest vergaande voorstellen van de Heroverwegingswerkgroep openbaar bestuur. Deze maxima zijn alleen te halen via scherpe keuzes. Voor lokaal bestuur is de maximale bezuiniging 2 miljard euro in 2015 (exclusief besparingsverlies), waarvan 1,75 miljard euro op de decentrale overheden en een kwart miljard euro op overig lokaal bestuur. Dit komt ruwweg overeen met 10 procent korting op het gemeentefonds en 20 procent korting op het provinciefonds. Alle partijen, op één na, willen het door het CPB gehanteerde maximum bezuinigen.

Diverse specifieke bezuinigingen bij het lokaal bestuur – zoals apparaatskorting, verplicht bankieren bij het rijk en shared services bij de bedrijfsvoering van gemeenten – kunnen worden gebruikt om de meer algemeen geformuleerde ombuigingen, zoals een korting op het gemeente-  en provinciefonds, in te vullen.

Grotere ombuigingen op de uitkeringen van het rijk aan het lokaal bestuur zijn in principe mogelijk. Verondersteld wordt echter dat dit deze komende kabinetsperiode niet tot extra bezuinigingen bij het ­lokaal bestuur leidt maar tot een vermindering van hun financiële vermogens. In het regeerakkoord van oktober 2010 werd vervolgens in 2015 exact 1,75 miljard euro bezuinigd.

Opschalingskorting
Ook voor de verkiezingen van september 2012 stelde het CPB een maximum aan de bezuiniging die de politieke partijen mochten inboeken op het gemeentefonds: “Het CPB hanteert daarom net als bij de vorige doorrekening van de verkiezingsprogramma’s maxima voor de ombuigingen op de lokale overheden. Het bij de vorige verkiezingen gehanteerde maximum voor de periode 2011-2015 vermeerderd met de ombuigingen van Balkenende-IV is hierbij als uitgangspunt genomen voor de ombuigingen in 2016 en 2017. Hierdoor resulteert een maximaal mogelijke ombuiging voor de lokale overheden van 1,2 miljard euro voor 2017 (exclusief besparingsverlies)”, aldus het CPB. “Het maximum voor de lokale overheden ligt hoger dan het rijk, met name omdat de maximale korting voor de periode 2011-2015 nog niet is bereikt.”

Om het totaal te laten uitkomen op de maximale 1,2 miljard euro besparing in 2017, was een extra korting nodig van 550 miljoen op het btw-compensatiefonds, 200 miljoen op de btw en 175 miljoen euro opschalingskorting. Daarnaast voerde het rijk vanaf 2015 overigens nog diverse taakgebonden kortingen op het gemeentefonds door, zoals op onderwijshuisvesting (256 miljoen) en de Wmo (1.140 miljoen euro vanaf 2016), maar die tellen niet mee als algemene bezuiniging.

Lagere inflatie
Na het regeerakkoord van oktober 2012 is het accres echter fors lager geworden. Volgens de septembercirculaire 2015 is het cumulatieve accres sinds 2012 in 2017 759 miljoen euro lager dan bij het regeerakkoord werd gedacht. De ‘trap af’-korting is van het regeerakkoord in 2012 is dus niet 352 miljoen, maar 759 miljoen euro méér, dus 1.111 miljoen euro (voor gemeente- en provinciefonds samen). De gemeenten bezuinigen van 2012 tot en met 2017 dus niet de maximaal haalbaar geachte 1,2 miljard, maar 1,96 miljard euro. Voor een klein deel komt dat lagere accres door lagere inflatie, maar het grootste deel van de extra bezuiniging is een reële extra bezuiniging.

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.