bestuur en organisatie / Partnerbijdrage

Nieuw toetsingskader Regeling voor vervroegde uittreding (RVU)

RVU, wat is dat ook al weer? Nieuw toetsingskader Regeling voor vervroegde uittreding (RVU).

14 februari 2019

AfbeeldingMr. drs. H.J.M. (Sjoerd) Richters

Met enige regelmaat besteden we aandacht aan de Regeling voor vervroegde uittreding (RVU). Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2018 heeft de Belastingdienst op 28 december 2018 een nieuwe handreiking gepubliceerd over de interpretatie van het begrip RVU op de website www.belastingdienstpensioensite.nl.

RVU, wat is dat ook al weer?

Een RVU is een pseudo-eindheffing van 52% - voor rekening van de werkgever – over uitkeringen, ontslagvergoedingen of verstrekkingen in het kader van een vertrekregeling, die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend bedoeld zijn om te dienen als overbrugging tot aan de AOW of de eerdere feitelijke ingangsdatum van pensioen en/of als aanvulling van uitkeringen ingevolge een pensioenregeling.

Hoge Raad 22 juni 2018
De Hoge Raad heeft in het arrest geoordeeld dat een vertrekregeling in het kader van een RVU-toets moet worden beoordeeld aan de hand van de objectieve voorwaarden en kenmerken van die regeling. Hierbij zijn de beweegredenen van zowel de werkgever als van de werknemer niet relevant. Verder dient de RVU-toets vooraf plaats te vinden. De feitelijke uitwerking van de vertrekregeling achteraf doet niet ter zake (zie r.o. 3.2 van het arrest).

Gevolgen van het arrest voor de praktijk
Het arrest heeft ertoe geleid dat de beide besluiten van de staatssecretaris van Financiën uit 2005 over de zogeheten ‘kwantitatieve toets’ en ‘kwalitatieve toets’ hun actuele betekenis hebben verloren en inmiddels ook zijn ingetrokken. 

In navolging hiervan heeft de Belastingdienst een nieuwe handreiking gepubliceerd over de interpretatie van het begrip RVU. In de handreiking wordt het door de Hoge Raad geschetste kader nader toegelicht. Ik kan verklappen dat er in wezen niet veel is veranderd: het nieuwe beleid van de Belastingdienst lijkt meer op ‘oude wijn in nieuwe zakken’.

De nieuwe handreiking
De handreiking volgt het kader dat de Hoge Raad in zijn arrest heeft geschetst. De handreiking gaat uit van de volgende beoordeling voor elke soort vertrekregeling:

1. Allereerst wordt getoetst aan de objectieve voorwaarden van een vertrekregeling. Dit kan op collectief dan wel individueel niveau: 
  • Beoordeeld wordt of het ontslag al dan niet leeftijdgerelateerd is;
  • De beweegredenen van de werkgever en de werknemer zijn hierbij niet relevant;
In feite komt deze stap in de toets erop neer dat géén sprake is van een RVU als er een andere reden aan een vertrekregeling ten grondslag ligt, dan de reden die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft het toekennen van een vergoeding of aanspraak die de (ex-)werknemer in staat stelt om financieel te overbruggen tot aan de AOW-leeftijd, dan wel eerdere pensioendatum, of gezien kan worden als een aanvulling op het pensioen.

Kort en wel gaat het om gevallen waarin ontslag niet leeftijdgerelateerd is. Denk aan gevallen waarin reorganisatie, disfunctioneren, verstoorde arbeidsrelatie, langdurige of veelvuldige arbeidsongeschiktheid centraal staat. Deze gevallen kunnen in de regel worden aangetoond door middel van goede dossiervorming! 

2. Als op basis van de objectieve voorwaarden sprake kan zijn van een RVU, dan vindt op individueel niveau nog een toets plaats op basis van de objectieve kenmerken van de regeling. Beoordeeld wordt of de ontslagvergoeding feitelijk in staat stelt om te overbruggen tot aan de AOW-leeftijd, dan wel eerdere pensioendatum, of gezien kan worden als een aanvulling op het pensioen; Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van een 70%-toets.

Het gaat bij de 70%-toets altijd om een fictieve berekening. Een vertrekregeling is géén RVU, wanneer met de ontslagvergoeding uit hoofde van de regeling een fictieve periodieke uitkering wordt berekend, welke aanvangt op het moment van feitelijk uitdienst treden en eindigt op de dag voordat de (ex-)werknemer de leeftijd heeft bereikt van 24 maanden voorafgaand aan de pensioen- of AOW-leeftijd (vroegste van de twee), waarbij die fictieve periodieke uitkering jaarlijks gelijkblijvend en tevens nominaal is en verder op jaarbasis niet hoger is dan 70% van het (laatstgenoten) reguliere jaarloon uit de dienstbetrekking waaruit de (ex-)werknemer vertrekt. 

Bij het bepalen van de 70%-grens moet tevens rekening te worden gehouden met de naar verwachting overig te ontvangen uitkeringen uit dezelfde vroegere dienstbetrekking (WW, ZW, WAO, VUT, prepensioen, vervroegd ouderdomspensioen, levensloop e.d.). Deze uitkeringen dienen derhalve voor de toetsing te worden ingebouwd.

In de handreiking is voor de 70%-toets ten opzichte van het vervallen van de kwantitatieve toets als één van de uitkeringen uit vroegere dienstbetrekking, die bij deze toets moet worden meegenomen, een ‘vervroegd ouderdomspensioen’ toegevoegd. In de handreiking staat daarbij wel toegelicht, dat in dat geval dan wel al bij vertrek of aanvang van de regeling bij de oudere werknemer de intentie moet bestaan tot vervroeging van het ouderdomspensioen.

Overigens blijft in de Handreiking gehandhaafd dat als de ontslagvergoeding later plaatsvindt dan op de dag voordat de (ex-)werknemer de leeftijd heeft bereikt van 24 maanden voor de pensioen- of AOW-datum, de Belastingdienst in beginsel het standpunt zal innemen dat er sprake is van een uitkering die als een RVU wordt aangemerkt.

Resumé
Uit de nieuwe handreiking blijkt dat het door de Belastingdienst gehanteerde beoordelingskader in het kader van de kwalitatieve en kwantitatieve toets op hoofdlijnen in stand blijft. Het ‘nieuwe’ beleid ziet met name op het benadrukken dat objectieve voorwaarden en kenmerken van afvloeiingsregelingen bepalend zullen zijn bij de beoordeling of een dergelijke regeling bedoeld is als financiële overbrugging tot aan pensioen- of AOW-datum (en derhalve als RVU kwalificeert).

Zekerheid vooraf
Ondanks deze handreiking kan evenwel twijfel bestaan over de vraag of een beoogde regeling kwalificeert als RVU. Het is ook denkbaar dat gezien de hoogte van de bedragen die met de pseudo-eindheffing gepaard kunnen gaan gewenst is dat elke onduidelijkheid hierover wordt weggenomen. De wetgever heeft in deze behoefte voorzien door te bepalen dat de inspecteur op verzoek van de werkgever bij een voor bezwaar vatbare beschikking beslist of een regeling een RVU is. Dit verzoek dient vanzelfsprekend te worden gedaan vóórdat de regeling is ingevoerd.

Slot
Hoewel de vraag of sprake is van een RVU vaak aan de orde wordt gesteld, luidt de conclusie meestal dat dat niet het geval is, maar dat neemt niet weg dat het aanbeveling verdient bij deze vraag stil te staan, voordat de vertrekregeling wordt overeengekomen. Het is in verband hiermee aan te raden om tijdig een specialist te raadplegen, in elk geval vóórdat een vertrekregeling wordt overeengekomen. Wij kunnen het dossier beoordelen en/of behulpzaam zijn bij het opstellen van een minnelijke regeling of vaststellingsovereenkomst en bij de correspondentie met de Belastinginspecteur.

Plaats als eerste een reactie

U moet ingelogd zijn om een reactie te kunnen plaatsen.