of 59162 LinkedIn

Wmo en Jeugdhulp terug in de tijd gezet

Niels Uenk en Madelon Wind 3 reacties

Gemeenten die Wmo en Jeugdhulp verstrekken aan cliënten door de te behalen resultaten vast te leggen, mogen dat niet meer van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Daarmee valt een belangrijke hefboom voor het bereiken van de beoogde transformatie weg en is een nieuwe golf van administratieve druk te verwachten.

De decentralisaties van Wmo en jeugdhulp hadden een inhoudelijke én financiële doelstelling, beide met elkaar vervlochten. Inhoudelijk werd het beter afstemmen van de sociale zorg op cliënten in hun sociale context beoogd: maatwerk. Met daarbij niet meer het ‘recht op zorg’ als leidend principe, maar behoeftegericht ‘ieder het zijne geven’. Gemeenten kregen daarom ook de ruimte om een eigen beleid te bepalen ten opzichte van de zorgaanbieders en ten opzichte van de cliënten. De inhoudelijke ontwikkeling moest ook gepaard gaan met kostenbesparingen. De kosten van de zorg stijgen al decennia en volume-opdrijvende prikkels in de financiering van zorg helpen daarbij niet. De meeste zorg wordt vergoed op het geleverde volume: bijvoorbeeld uren ondersteuning. Méér uren betekent meer omzet, het systeem ontbeert een financiële prikkel om juist efficiënt de gewenste uitkomsten te leveren. Een alternatieve financieringsgrondslag is het bekostigen van resultaten van zorg (‘uitkomstbekostiging’). De Tweede Kamer heeft dit reeds in 2011 onderkend, en het ministerie van VWS werkt toe naar invoering van uitkomstbekostiging in de gezondheidszorg in 2020.

 

Veel gemeenten zien uitkomstbekostiging als logisch middel om de inhoudelijke en financiële doelstellingen van de decentralisaties te bereiken. Een belangrijk element in dit beleid is de manier waarop de cliënten zorg toegewezen krijgen. In de traditionele volume-gedreven methodiek benoemt de toewijzing (beschikking) het aantal uren zorg waarop een inwoner recht had (‘vier uur huishoudelijke hulp’). Gemeenten met uitkomstbekostiging benoemen in de beschikking het te behalen resultaat (een ‘schoon en leefbaar huis’).

 

De voordelen van de resultaat-beschikking zijn evident: zorgaanbieders hebben veel meer ruimte en worden uitgedaagd om op zo efficiënt mogelijke wijze zorg te leveren. Als resultaten met minder inzet – door innovatief te werken – te realiseren is, dan zal een zorgaanbieder dat bij resultaat-beschikkingen graag doen. Bij een inzet-beschikking heeft beperking van het aantal uren voor de zorgaanbieder weinig zin: dan krijgt hij minder betaald. Veel gemeenten zijn de afgelopen jaren overgestapt op resultaatgericht beschikken en inkopen.

 

Recent heeft de CRvB echter uitgesproken dat resultaat-beschikkingen te weinig rechtszekerheid bieden aan de cliënten. Ondanks de mate van detail in de beschikkingen van de aangevallen gemeente (per ruimte in het huis, welke handelingen, met welke frequentie, door wie worden uitgevoerd) biedt dit de client onvoldoende inzicht in de zorg die hij of zij mag verwachten volgens de CRvB. Want: de cliënt weet niet op hoeveel uur inzet van de zorgaanbieder hij of zij recht heeft. Het feitelijke probleem is dat een inwoner moeilijk bezwaar kan maken tegen ‘een schoon en leefbaar huis’, terwijl de zorgaanbieder in de uitvoering wel steken kan laten vallen. De rechtsbescherming van de client is daarmee teveel beperkt. Zoals het er nu naar uitziet mogen resultaat beschikkingen dus niet meer.

 

Er kunnen vraagtekens gezet worden bij deze uitspraak: de decentralisaties zijn expliciet bedoeld om een transformatie te realiseren; nu blokkeert de CRvB die transformatie in verband met de bescherming van de rechtszekerheid. Dit terwijl een voldoende concreet uitgewerkte resultaatbeschikking juist méér rechtszekerheid kan bieden dan de belofte dat er elke week een aantal uur zorg wordt geleverd.

 

Maar nu naar de orde van de dag. Gemeenten moeten aanpassingen maken aan resultaatgerichte beschikkingen (ook als cliënten niet klagen), indicatie-protocollen, vergoedingssystemen, contracten en afspraken met zorgaanbieders, en (wéér) van de inkoopsystematiek. De bestuursrechter verwijst letterlijk weer naar de kaders ten tijde van de Awbz. Zorgaanbieders die vanuit de gedachte van de wet hebben geïnvesteerd in innovatieve benaderingen en werkwijzen, zien mogelijk hun investeringen in rook opgaan. En er komt wéér een stevige administratieve last op hen af. Kortom, door de uitspraak van de CRvB doen we een forse stap terug in het sociaal domein.

 

Niels Uenk en Madelon Wind, beide verbonden aan het Public Procurement Research Centre (PPRC).

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door R.M.H. Dijkema (dga) op
Belangwekkende uitspraak. Ik hoor tot de aanbieders die hun investering in rook zien opgaan. Zie de aanstaande publicatie van het Tijdschrift voor Briljante mislukkingen op 4 december 2018. Ook worden hiermee de transformatie-ambities van de minister gesmoord. Graag de ECLI-vindplaats.
Door J.A.C. Verheyden (advocaat) op
Het zou plezierig zijn als u de vindplaats (ECLI nummer) vermeld.