of 59854 LinkedIn

Stop met doemdenken decentralisaties sociaal domein

Kristine Leenman en Ineke Bakker 1 reactie

Ongetwijfeld zullen binnen het sociaal domein de komende jaren nog ontwikkelingen en vernieuwingen plaatsvinden, op zoek naar wat het beste werkt. Maar gemeenten zien hun nieuwe taken met vertrouwen tegemoet. Er is geen reden voor doemscenario’s.

In de media verschijnen regelmatig alarmerende artikelen over de decentralisaties op het gebied van jeugd, zorg en werk. Gemeenten zouden geen verstand hebben van zorg en niet zijn opgewassen tegen hun taken. Kwetsbare groepen dreigen hierdoor verstoken te blijven van goede hulp en ongelukken kunnen niet kunnen uitblijven. Dit doemscenario jaagt mensen onnodig angst aan. Wie professionele zorg nodig heeft, krijgt die; ook na 1 januari 2015. Waarom deze bangmakerij?


Je zou bijna vergeten waarom we deze verandering ook alweer hebben ingezet. Gemeenten kennen hun inwoners, de zorgaanbieders en de netwerken. Daardoor kunnen zij beter passende ondersteuning organiseren met minder bureaucratie, via de aanpak van ‘één gezin-één plan-één regisseur’. Gemeenten zijn vanaf volgend jaar regisseurs en financiers van zorg: rollen waarmee zij op andere terreinen sinds jaar en dag vertrouwd zijn. Zoals gemeenten op ruimtelijk gebied veel ervaring in samenwerking met marktpartijen hebben, zo zullen zij straks samen optrekken met hun zorgpartners. Die samenwerking is cruciaal voor een betere dienstverlening en meer maatwerk tegen lagere kosten. Zorgaanbieders hebben verstand van zorg, terwijl gemeenten hun inwoners, organisaties en bedrijven kennen en weten wat er speelt in de wijken en dorpen.


Zelfredzaamheid van burgers en onderlinge hulpverlening staan in het nieuwe stelsel voorop. Professionals van wijkteams gaan in gesprek met inwoners die problemen hebben, om te kijken welke oplossingen mensen zelf of met hulp van hun omgeving kunnen organiseren. Is meer nodig, dan zijn er vaak allerlei voorzieningen en organisaties in de buurt die ondersteuning kunnen bieden, variërend van ouderenorganisaties en buurt- of dorpsverenigingen tot welzijnsinstellingen en zorgcentra.


Gemeenten kunnen mensen en organisaties bij elkaar brengen, samenwerking bevorderen en nieuwe initiatieven stimuleren. Uitgangspunt is wat mensen wél kunnen in plaats van wat zij niet kunnen. Mensen met een verstandelijke beperking kunnen misschien prima aan de slag in het buurtrestaurant en daar helemaal opbloeien. Iemand die slecht ter been is en thuis zit te verpieteren, kan zich wellicht nuttig maken in de buurtvereniging als hij door een buurman met de auto wordt gebracht.


Steeds meer breekt het inzicht door dat eenzaamheid en het ontbreken van een zinvolle dagbesteding leiden tot gezondheidsklachten. Toen ouderen in Rotterdam gingen meehelpen bij schooltuintjes nam hun medicijngebruik drastisch af. Hetzelfde effect toont ‘Welzijn op recept’, een methode ontwikkeld in Nieuwegein. Daar werden mensen met psychosociale klachten door de huisarts doorverwezen naar activiteiten als vrijwilligerswerk, bewegen en samen koken en eten. Zorgverzekeraars zien gemeenten dan ook steeds meer als partner met wie zij samen op kunnen trekken om het beroep op dure zorg te verminderen.


Als de overheid van burgers meer zelfredzaamheid en onderlinge hulpverlening vraagt, moet zij ook ruimte geven en durven loslaten. Daar moeten we niet te angstig voor zijn. Wij kunnen mantelzorgers ondersteuning bieden en bijvoorbeeld een verklaring omtrent gedrag vragen van vrijwilligers die omgaan met kwetsbare mensen. Maar laten we niet in de valkuil trappen om alle mogelijke risico’s van te voren af te dekken door regelgeving. Ook zorgaanbieders krijgen veel ruimte, volgens het principe high trust, low tolerance. Bestuurlijk aanbesteden biedt de mogelijkheid om langdurige, flexibele contracten te sluiten met partners die zij vertrouwen. Waar dingen misgaan, moeten partijen elkaar hierop aanspreken.

 

Alle partners – gemeenten, zorgaanbieders, burgers en anderen – zullen moeten wennen aan hun nieuwe rol en verantwoordelijkheden. Ook gemeenteraden moeten leren omgaan met hun verantwoordelijkheid op deze nieuwe terreinen. Juist waar het gaat om kwetsbare groepen, bestaat het risico van incidentenpolitiek. Ongetwijfeld zullen de veranderingen de komende jaren zich nog verder moeten ontwikkelen. En zal blijken dat sommige dingen wel en andere niet werken. Decentralisatie van de jeugdzorg in Denemarken laat zien dat het kán: een betere hulpverlening tegen lagere kosten. Wij willen bewijzen dat het hier ook kan. 

 

Kristine Leenman, directeur Sociaal Maatschappelijk beleid, gemeente Haarlemmermeer

Ineke Bakker, directeur Maatschappelijke Ontwikkeling, gemeente Rotterdam

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door Frits van Vugt (adviseur en onderzoeker sociaal domein) op
Helemaal eens met de beide gemeentelijke directeuren in het sociale domein.
Er lijken meer artikelen te worden geschreven en pleidooien richting parlement te worden gehouden wat er allemaal mis kan gaan dan verbetervoorstellen van de criticasters hoe het dan beter kan.
Wel hoor ik elke dag de obligate roep om uitstel en budgetgaranties voor de bestaande aanbieders. Alsof dat zou helpen het verziekte zorgsysteem te verbeteren.

Nu is het wel zo dat de grote gemeenten (althans de meeste) al veel eerder zijn gestart met de transitie (en soms ook al met de echte transformatie) dan sommige kleine gemeenten, die lang zijn blijven treuzelen. Daar heb ik nog wel zorg bij, maar gelet op de zorgcontinuiteit die aan cliënten gegarandeerd is, zal het ook daar wel gaan lukken.
Jammer alleen dat de echte transformatie, met een integrale, ontkokerde aanpak die zou moeten leiden tot eerdere en betere zorg dicht bij huis, meer eigen verantwoordelijkheid en minder dure zorg in de tweede lijn, op veel plaatsen naar de achtergrond (2016-2017) lijkt te zijn verdrongen.