of 58952 LinkedIn

Nuance zoek bij transitie jeugdzorg?

Vorige week zorgde het rapport van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugdzorg over de kwaliteit van de regionale transitiearrangementen weer voor de nodige reuring. Zoals de TSJ, zoals ik in een eerdere column al voorspelde, zelf schrijft, is nog steeds sprake van grote zorgen die zeer serieus moeten worden genomen wil uiteindelijk sprake zijn van een zorgvuldige overgang van de jeugdzorg naar de gemeenten. Tegelijkertijd leek in veel reacties op het rapport de nuance behoorlijk zoek en dat draagt niet bij aan het gezamenlijk constructief zoeken naar oplossingen voor de door de TSJ terecht geschetste zorgen.

Natuurlijk waren de tegenstanders van de transitie er weer als de kippen bij om het rapport van de TSJ als het zoveelste bewijs te zien dat de transitie geen goed idee is of tenminste vertraagd moet worden. Wat men daarbij steeds lijkt te vergeten is dat het huidige jeugdzorgstelsel een fors aantal grote tekortkomingen kent. Zorgen over een zorgvuldige invoering moeten serieus worden genomen, maar het momentum om nu eindelijk een einde te maken aan het huidige zieke jeugdzorgsysteem mag niet verloren gaan. Diegenen die spreken van experimenteren over de rug van kwetsbare kinderen lijken te zijn vergeten dat het huidige experiment definitief mislukt is.

 

Opvallend is hoe de oorzaak van de huidige zorgen eenzijdig bij staatssecretaris van Rijn wordt gelegd. Die zou niet tijdig budgettaire helderheid hebben verschaft, als gevolg waarvan gemeenten geen concrete afspraken met jeugdzorgorganisaties konden maken. Hoe kan het dan zijn dat de TSJ 11 RTA’s code groen geeft? Dat komt omdat in die gevallen gemeenten de budgettaire onzekerheid fors hebben teruggebracht door uit te gaan van een behoedzame invoering, waarbij in de eerste jaren nog primair zaken wordt gedaan met bestaande jeugdzorgorganisaties. In de andere RTA’s (code oranje en rood) zijn dus de gemeenten ook zelf deels veroorzaker van de budgettaire onzekerheid, omdat ze aanzienlijke extra reserveringen maken voor met name niet nader gespecificeerde “innovatie”. Door deze insteek worden de bezuinigingstaakstellingen voor bestaande jeugdzorgorganisaties zo hoog, dat de continuïteit van zorg onnodig in gevaar komt.

 

Natuurlijk is innovatie een belangrijke doelstelling van de aanstaande stelselherziening, maar de veronderstelling dat die alleen kan worden gerealiseerd door daarvoor vanaf het begin fors budgettair te reserveren is onjuist. Onderschat wordt hoeveel innovatie al gaande is bij huidige jeugdzorginstellingen mede als gevolg van de aanstaande transitie. Bestaande instellingen hebben al lang begrepen welke transformatie gemeenten van hun verwachten. In die zin doen die gemeenten die kiezen voor behoedzame invoering zichzelf ook te kort wanneer ze spreken van een beleidsarme aanpak. Bijvoorbeeld in de regio Amsterdam zou het primair in zee gaan met bestaande instellingen feitelijk neerkomen om het door gemeenten omarmen van de vele al in gang gezette innovaties.

 

Natuurlijk moet er ruimte blijven voor nieuwe toetreders, maar voor het realiseren van de transformatiedoelstelling is het niet nodig om daarvoor al direct grote bedragen apart te zetten. De jeugdzorgsector is qua innovaties al veel verder dan sommige gemeenten lijken te denken. Ze heeft de transformatieboodschap al lang begrepen. Gemeenten hebben ook in de eerste jaren helemaal geen grote afzonderlijke innovatiebudgetten nodig om de druk op de innovatieketel te houden. De dreiging om op termijn marktaandeel te verliezen werkt effectief genoeg.

 

Voor veel gemeenten die nog nauwelijks praktijkervaring hebben met de jeugdzorg is het ook alleen maar verstandig om als opdrachtgever eerst vooral met bestaande instellingen aan de slag te gaan, omdat daarmee een bepaalde basiskwaliteit tenminste verzekerd is. Een basiskwaliteit die in het geding komt wanneer onervaren opdrachtgevers gaan hobbyen met nieuw aanbod. Uit de RTA’s blijkt ook dat gemeenten zelf nog weinig concrete ideeën hebben over hoe dat “andere aanbod” er uit moet zien. Dat is overigens volstrekt begrijpelijk, als je nog nauwelijks praktijkervaring hebt met opdrachtgeverschap. Vandaar dat de TSJ terecht de gemeenten die kiezen voor een behoedzame aanpak een pluim geeft.

 

De Telegraaf gooide vorige week nog wat extra olie op het transitievuur door onjuist te suggereren dat de 15 Bureaus Jeugdzorg zouden hebben gedreigd met het aanvragen van collectief ontslag als gevolg van faillissementsdreiging. In het TSJ rapport staat op evenwichtige wijze beschreven dat er sprake is van een risico op dit punt, als er niet tijdig helderheid komt over beschikbare budgetten en afspraken over beperking van frictiekosten (bijvoorbeeld als het gaat om de mens volgt taak garantie). Het is goed dat de TSJ alle betrokkenen tijdig op dit risico wijst, maar niemand maakt mij wijs dat de politiek het zo ver laat komen. Ik heb er als bestuurder van een BJZ alle vertrouwen in dat de staatssecretarissen van Rijn en Teeven en de gemeenten de aanbevelingen van de TSJ zullen opvolgen en zie dus geen enkele aanleiding om te dreigen met collectief ontslag.

 

Ook suggesties van sommige Tweede Kamer leden in reactie op het Telegraafartikel als zouden bestuurders van BJZ’s bewust aansturen op een dumpconstructie zoals bij Sensire werp ik verre van mij. Failliet gaan en doorstarten met goedkoper personeel komt neer op het paard achter de wagen spannen, want goedkoop is duurkoop. De ambitie om het onnodige beroep op dure jeugdzorg terug te dringen kan alleen worden gerealiseerd met de inzet van kwalitatief hoogwaardige professionals in coproductie met de kwetsbare gezinnen en hun sociale netwerk.

 

De kritische reactie van staatssecretaris van Rijn in de Telegraaf dat het dreigement van de 15 BJZ’s voorbarig zou zijn, door de koppenredactie van de Telegraaf uitvergroot tot “Van Rijn boos op Jeugdzorg”, was dus een reactie op onjuiste berichtgeving en daarmee zelf voorbarig, tenminste als hij daadwerkelijk zo heeft gereageerd. De transitie en transformatie van de jeugdzorg is een zeer noodzakelijke en inderdaad ook zeer complexe operatie die niet gebaat is bij ongenuanceerde discussies. De onafhankelijke TSJ verdient dan ook een groot compliment voor de evenwichtige toonzetting van haar rapport. Laat dat een voorbeeld zijn voor alle betrokkenen.

 

De tijd dringt, maar het is nog niet te laat om de transitie zorgvuldig te laten verlopen. Gewoon een kwestie van het opvolgen van de aanbevelingen van de TSJ, het hoofd koel houden, elkaar niet gek maken, met een scherpe blik op de risico’s en door daadkrachtig aanpakken van de beheersing van die risico’s.

Erik Gerritsen 

Verstuur dit artikel naar Google+

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reactie op dit bericht

Door J. Boom op
Dhr. Gerritsen maakt, niet voor de 1e keer, de volgende fout. Hij begint met aan te geven dat het "huidige experiment definitief mislukt is". Tot zover deel ik zijn mening. Vervolgens maant hij gemeenten die geen groen van de TSJ hebben gekregen toch vooral en voornamelijk in zee te gaan met de bestaande instellingen. Bestaande instellingen zijn natuurlijk als eerste aan te spreken op het definitief mislukken van het huidige experiment. Dat een aantal gemeenten derhalve voorzichtig is en niet zonder meer met bestaande instellingen inzee gaan is op z'n minst niet onverstandig.
Door PR (KJP) op
Beste heer Gerritsen.
Uw uitspraken liegen er niet om, maar ontberen onderbouwing en zijn erg eenzijdig. U bent kennelijk voor de transitie cq jeugdwet in deze vorm en elke kritiek wordt als gezeur van tafel geveegd. Dat vind ik vreemd. Dit proces is toch een democratisch gebeuren? Het 'bewijs' mbt Telegraaf vind ik weinig bijdragen aan uw betoog. Tenslotte last maar zeker niet least: u vergeet de problematiek rondom de JGGZ die in de jeugdwet wordt meegenomen in dit stuk te betrekken. Ik ben niet tegen verbetering van de jeugdzorg maar mijns inziens hoort de jeugdggz de status te behouden die het heeft.